1945-02-22 Jan van Hout

22 februari 2020 is het 75 jaar geleden

Het was een simpel courantenberichtje. „Jan van Hout, eens werelduurrecordhouder, is op 22 februari 1945 op 36-jarige leeftijd in het concentratiekamp Neuengamme overleden”.

Helmondsche courant 14 september 1945

Jan van Hout brak op 25 Augustus 1933 het 19 jaar oude wereldrecord van Oscar Egg door 314 meter meer af te leggen: Van Hout legde in 1 uur liefst 44,588 kilometer af… Jan van Hout is op 17 oktober 1908 in Valkenburg (Pelerinstraat) geboren en overleed als amper 36-jarige op 22 februari 1945 op dramatische wijze als verzetsstrijder in het Duitse concentratiekamp Neuengamme. Van Hout, professional van 1932 tot 1940, was niet zomaar een wielrenner. Hij was de eerste van slechts twee Nederlanders die er ooit in slaagden het werelduurrecord te veroveren.

Onze gedachten gaan terug. Wij denken aan Jan van Hout als prima koppelkoerser, als excellent achtervolger, in zijn bloeiperiode was zijn naam bijna dagelijks te lezen in de Nederlandse én buitenlandse pers. Maar bijzonder blijven wij stilstaan bij dat ene. Dat ene, dat destijds schokkend was. Negentien jaar stond het werelduurrecord op naam van Oscar Egg, op naam van de vermaarde Zwitser die 18 juni 1914 te Parijs met 44,247 km het record zo hoog opvoerde, dat het niet meer te verbreken scheen. Het duurde 19 jaar, toen op die gedenkwaardige vrijdagavond (25 augustus 1933) Jan van Hout op de, inmiddels ter ziele zijnde, prachtige Roermondse wielerbaan 44,588 km aflegde.

L’Auto 1 januari 1933, in Frankrijk stond Jan van Hout bekend als “Le Phénemène”, hier in verband met de achtervolgingskoers tegen Maurice Archambaud waarvan dagenlang verslag werd gedaan in het toonaangevend L’Auto, het was echter tot twee maal toe Archambaud die won (de revanchewedstrijd ook)

Velen zagen van Hout zijn rondjes draaien, velen zagen de soepele “Valkenburgse” Eindhovenaar onder meer dan enorme spanning de strijd tegen de moordende tijd opnemen, wij zien van Hout’s kansen stijgen, wij maken zijn wereldberoemde verrichtingen mee. Nog dezelfde avond werden telegrammen naar alle delen der wereld gekabeld. Egg’s record was gebroken en weer was het zoon van het kleine landje aan de Noordzee, die van zich had doen spreken, die aan de Nederlandse sportfaam nieuwe lauweren had toegevoegd.

De gedenkzuil op de Cauberg voor het Casino in Valkenburg was een initiatief van onder andere sportverslaggever Jean Nelissen. De onthulling werd verricht door Van Hout’s weduwe Anneke Louwers, haar 2 zonen en Bernard Hinault. De gedenkzuil is inmiddels verdwenen, niemand weet wat ermee is gebeurt, aandringen door onder meer “de connaisseur van het Valkenburgs wielrennen bij uitstek” Jo Hendriks bij de gemeente Valkenburg, heeft tot spijt van velen nog niet tot herplaatsing geleidt

Jan van Hout was de pionier en nu nog eren we de sympathieke Brabander voor deze verbluffende verrichting. De naam van Hout schitterde de laatste jaren voor zijn heengaan niet meer aan het wielerfirmament, vele sportliefhebbers waren van Hout’s vermaarde daad reeds vergeten. Wij zullen echter steeds aan van Hout terugdenken als aan een sportman, die het hoogste wist te bereiken wat te bereiken was. Wij denken aan van Hout als fameuze fondrenner, als verbreker van een prestatie welke legendarisch was geworden. Tallozen bleven daar in Neuengamme. Slachtoffers van moord, sadisme, ergerlijke omstandigheden. Onder deze was een groot sportkampioen, een stralend figuur, een voortrekker.

Rechts op de foto Jan van Hout’s café “Sportpaleis” te Eindhoven Van het toenmalige grote café is niks meer over. Het is in de oorlog platgebombardeerd. Jan van Hout had niks met de Duitsers. Sterker, hij verafschuwde ze. Op de dag dat de bezetter de bezetter ging heten, sloot hij de deuren van het café. Zijn motivatie was kort en krachtig. ‘Ik tap niet voor Duitsers.’ Met dezelfde rechtlijnigheid uit de koers, nam hij ook deze rigoureuze beslissing.

Het fietsen kwam niet van een vreemde, want Jan van Hout was ‘toen het rijwiel nog zowat in z’n beginstadium was, eveneens een echte liefhebber van deze sport. Geen wonder dat Papa van Hout geen tegenstander was, toen jongenlief ging pedaleren.’
Jongenlief had talent, dat bleek snel. Jantje van Hout ontpopte zich tot een hele Jan in het wielrennen op de baan, voor en in de oorlog een groot tijdverdrijf voor mensenmenigtes. Wielerbanen waren er overal, vooral in het zuiden van het land. Eindhoven, waar de volwassen Jan van Hout was gaan wonen, had er zelfs drie. Ze heetten De Zwaluw, ’t Hert en De Jordaan.

Jan van Hout de wielrenner was een mijnheer in het Eindhoven van toen. Iedereen kende hem. Dat was ook niet zo moeilijk. Laat er in die jaren tien auto’s in Eindhoven zijn geweest, dan was er één toch wel van de wielrenner. Een Studebaker.
De populariteit van Van Hout was ongekend. De directie van de Eindhovense wielerbaan De Zwaluw heeft het geweten. Vanwege een dispuut over geld had het de directeuren behaagd Jan van Hout maar eens een keer niet aan de start laten verschijnen op een van hun fijne sportmiddagen. Prompt werden er protestpamfletten gedrukt en verspreid, met luide teksten:

‘Wij eischen Jan van Hout op de Zwaluw-baan. En word er aan onzen wensch 24 mei niet voldaan, blijven wij netjes buiten hun poorten staan.’ Was getekend: ‘Massa supporters.’

 

Populair bij het volk, wat minder bij collega’s, want rechtlijnig was Van Hout ook. Om niet te zeggen koppig. Vooraf afspraken maken over het koersverloop? Niks voor Jan van Hout. Er moest maar gereden worden en dan zou wel blijken wie het hardst kon trappen. Een man met zonderlinge streken op dat punt. Frits van Griensven, een bekende Eindhovense sportjournalist in die dagen, zag hem op de houten baan van Helmond, ‘een kunststuk uithalen dat onmogelijk werd geacht. Van Hout weigerde in een koppelwedstrijd van tachtig kilometer zijn koppelgenoot de Eindhovenaar Harrie van Hoek toe te laten. Dat gebeurde al direct na de start. Wat er de reden van was, is ons nooit duidelijk geworden. De jury greep niet in. Jan van Hout bleef in de baan en Van Hoek, die geen kans kreeg om hem af te lossen, gaf er tenslotte de brui aan en verdween’, noteerde Van Griensven in 1977, nog steeds verbaasd.
Zoals het hoort in dit soort verhalen, won Van Hout de wedstrijd in zijn eentje met verve en met een straatlengte voorsprong zonder een moment uit de baan te zijn geweest, tegen allemaal koppels die elkaar voortdurend aflosten.

Een houten kop en een lijf met geweldig veel inhoud, zo kwam Jan van Hout bekend te staan. Niet een man die zich zwaaiend en zwierend door een peloton bewoog, geen renner met een demarrage, maar meer een coureur met een groot duurvermogen. Geknipt voor het moordende maar gelijkmatige ritme van de achtervolging. Tegen één tegenstander fietsen, die dan ook nog aan de andere kant van de baan rijdt, dat was voor Van Hout het betere werk. Op de achtervolging klopte hij alle groten in de jaren dertig. Frans Bonduel, Georges Ronsse, Alfred Hamerlinck, Learco Guerra, Gerard Loncke, Janus Braspennincx, Maurice Archambaud.

Over het doen en laten van Jan van Hout in de oorlogstijd die hem werd vergund, is niet veel onomstotelijks bekend. Hij fietste niet meer, dat staat vast. In het geheugen van Van Hout’s zoon Jan hebben zich de contouren genesteld van een reis naar Valkenburg, met zijn moeder en jongere broer Antoon, om daar hun echtgenoot en vader te bezoeken. ‘We zaten in een trein die werd beschoten door Spitfires van de Engelsen. We hebben uren in schuttersputjes gezeten, wachten op een nieuwe locomotief.’ Van Hout senior logeerde in Valkenburg in een hotel. Wat hij er deed, blijft ongewis. Zijn zoon weet het niet. Iets in het verzet ligt voor de hand. ‘Ik kan me nog herinneren dat er in de oorlog mensen bij ons thuis kwamen om naar de radio te luisteren. En mijn vader werd gewaarschuwd. ,,Vandaag of morgen komen ze je pakken’’.

Veel vraagtekens zullen blijven, maar er zijn ook zekerheden. Vught, Amersfoort, Neuengamme. Jan van Hout de wielrenner overleed op 22 februari van het laatste oorlogsjaar in concentratiekamp Neuengamme. In Eindhoven werd hij opgepakt terwijl hij zwom in het natuurbad De IJzeren Man. Duitsers van de Gestapo aan de waterkant sommeerden hem het bad te verlaten, Van Hout dreef door. Met een bootje hebben ze hem uiteindelijk uit het water gevist. Zijn vrouw, die hem net kwam ophalen, zag het gebeuren. Van Hout monterde haar op. ‘Anneke, vanavond ben ik weer thuis.’ Het zou anders lopen. Jan van Hout de taaie wielrenner werd eerst naar Vught en later naar concentratiekamp Amersfoort gebracht. Eén keer kreeg hij daar nog bezoek van zijn echtgenote. ‘Dat was geregeld door het verzet’, weet Van Hout de zoon. Bij die gelegenheid zouden man en vrouw elkaar door het hek heen gekust hebben, waarbij Van Houts trouwring werd veiliggesteld. Het is ook een verhaal uit de overlevering, maar het zou waar kunnen zijn. ‘Mijn moeder heeft die ring nog.’ Op 10 september 1944 ging Van Hout van Amersfoort naar Neuengamme, dertig kilometer ten oosten van Hamburg.

Dr. Sietse Geertsema stelt die datum vast aan de hand van het kampnummer dat Van Hout kreeg. 49.488. Geertsema is verbonden aan de Stichting Vriendenkring Neuengamme. Hij beheert de database van de stichting en werkte mee aan het boek ‘Nederlanders in Neuengamme.’ De verschrikkingen van het kamp staan daar in, ‘voor zover je het kunt vertellen. Het boek geeft misschien voor tien procent weer wat de ellende was. Stel u voor: iedereen kreeg één boterham per dag en moest keihard werken. Er was één krib voor drie personen en nauwelijks gelegenheid tot wassen. De psychische druk was enorm. Je wist nooit waar je aan toe was. Je kon elk moment worden geëxecuteerd omdat een SS’er je een rotzak vond. Het is haast ondoenlijk om in nuchtere omschrijvingen duidelijk te maken wat mensen hebben ervaren. Ook literatoren hebben daar moeite mee’, schetst Geertsema. En hij reageert met lichte verbazing als hij uittelt hoe lang Jan van Hout in Neuengamme heeft geleefd, vijf en een halve maand. ‘Hij heeft het nog lang uitgehouden. De meeste mensen overleden na één maand.’

klik voor meer informatie over het kamp Neuengamme

Over de doodsoorzaak van Jan van Hout staat niks vast, niks anders dan wat in de officiële administratie van het kamp is beland. Wegens ziekte overleden, vastgesteld door een SS-arts. Er is ook een ander verhaal, verteld door Maastrichtenaar Max Schwiebert. Diens vader was een neef van Van Hout, ‘een zoon van de zus van mijn oma.’ De vader van Schwiebert zat in het Limburgse verzet en hoorde de tweede versie van overlevenden. Het is een verhaal van horen zeggen tot de derde macht. Jan van Hout de zoon kende het nog niet. ‘De vraag hoe mijn vader aan zijn einde is gekomen, heeft me jarenlang geïntrigeerd; is hij van ellende in elkaar gezakt of is er iets anders gebeurd?.’ Volgens de versie van Schwiebert is Jan van Hout de coureur overleden omdat hij langdurig werd ondergedompeld in een vat met koud water. Zo zouden de Duitsers zijn opstandigheid hebben willen breken. ‘Dat klinkt plausibel’, zegt zoon Jan. ‘Mijn vader kon absoluut niet tegen onrechtvaardigheid en sprong als het moest meteen in de bres.’ Negen jaar was hij, Van Hout junior, toen het doodsbericht van zijn vader hem, zijn broer en moeder bereikte. Niemand had verwacht de wielerkampioen nog levend terug te zien, maar hoop deed leven tot september 1945. Toen pas, zeven maanden na de fatale 22 februari, zegde een medewerker van het Rode Kruis het overlijden aan.

Bidprentje Jan van Hout

Al die maanden was mevrouw Van Hout-Louwers vaak te vinden bij het station van Eindhoven, informeren bij reizigers uit Duitsland of ze iets van haar man hadden vernomen misschien. Wrang was ook de begrafenis van Jan van Hout, in Eindhoven. Althans, begrafenis. De pastoor stond erop dat er een mooie nette uitvaartmis zou komen, grote kampioenen gaan niet heen in stilte en zonder katholiek eerbetoon, dacht de eerwaarde. Hij kreeg zijn zin. Het werd een mis met drie heren en een rouwstoet met koetsen en rijtuigen. Jan van Hout junior vond het een belachelijke vertoning, vooral vanwege dat ene feit. Er was geen lichaam, de kist was leeg. Vaak heeft Jan junior later gedroomd dat zijn vader ineens voor zijn neus stond. ‘Ik ben lang weggebleven, maar hier ben ik dan.’

Het WERELDUURRECORD van VAN HOUT

Onze landgenoot Jan van Hout op de Wielerbaan te Roermond het wereld-uurrecord, dat reeds gedurende 19 jaar op naam stond van de Zwitser Egg, schitterend gebroken!!

Miroir des Sports 29 augustus 1933: DE NEDERLANDSE JEAN VAN HOUT, HAALT 44 KILOMETER 588 M IN EEN UUR, WORDT DE HOUDER VAN EEN VAN DE MEEST PRESTIGIEUZE WIELERRECORDS

Miroir des Sports 29 augustus 1933  Jan Van Hout, de nieuwe werelduurrecordhouder  aanwezig bij de Buffalo wielerbaan in Parijs: links ziet het er bezorgd uit; rechts praat hij met een coach; in het midden wordt hij gefeliciteerd door Oscar Egg. Van Hout is vooral een goed uitziende, lange, goed ontwikkelde atleet. Zijn romp is zeer ontwikkeld, zijn borstkast bevat vast grote longen. Van Hout is blond en zijn lichaam is gebruind, vergelijkbaar met dat van atleten die vaak buiten in de felle zon zijn. Op meer dan één punt lijkt zijn gezicht op dat van de grote Francis Pélissier: zijn neus is iets naar boven gericht, zijn onderlip onthult zijn tanden. De wangen zijn iets minder hol dan die van ” Le Grand”. Zijn fietspositie is vrij laag; het is echter minder laag dan van Archambaud, dat ander fenomeen op de achtervolging. Zeker is wel dat de pedaalslag van Van Hout aangenamer is dan die van Archambaud, vloeiender. Als we zijn benen vergelijken met zijn hele lichaam, zou je ze relatief klein te vinden. Aan de andere kant zijn zijn kuiten zeer gespierd. Van Hout trapt een relatief klein verzet

L’Auto Velo 26 en 27 augustus 1933:  Jean van Hout heeft het werelduurrecord verbroken https://gallica.bnf.fr/ark:/12148/bpt6k46342193.item

Ingewijden beweerden, dat dit record niet te verbeteren zou zijn en dat het onzin was, een poging hiertoe te ondernemen. Maar ziet, Van Hout, heeft zich met volle energie gegeven om te bewijzen, dat dit record niet onaantastbaar was. Vele opofferingen heeft Van Hout zich moeten getroosten; vele teleurstellingen moeten ondervinden, maar energiek heeft hij de taak, die hij zich zelf gesteld had, volbracht. Hij heeft tot verbazing van de gehele wielerwereld het blijkbaar niet te verbeteren record toch geslagen en met 341 meter verbeterd. Aangenaam deed het aan, dat Van Hout overal hulde werd gebracht voor zijn bijzondere prestatie, en dat ook Oscar Egg zelf, Van Hout met zijn succes gelukwenste.

Blijkbaar was deze hulde van Oscar Egg echter een weinig te spontaan geweest; de oud-wereldrecordhouder kon het toch blijkbaar niet goed verkroppen, dat een in het buitenland vrijwel onbekende Hollandsche renner, hem zomaar eventjes zijn record, dat bijna 20 jaar op zijn naam stond, ontnam.

lees hier
Match : l’intran : le plus grand hebdomadaire sportif 29 augustus 1933

Had de eerste geste van Oscar Egg onze volle sympathie, wat daarna geschiedde doet al heel wrang aan. In de Franse pers kon men lezen, dat Egg van de veronderstelling uitging, dat de baan te Roermond, waarop Van Hout de recordverbetering tot stand bracht, niet de juiste maat had; er werd zelfs beweerd, dat Egg naar Roermond zou zijn gegaan, om de baan persoonlijk op te meten; men ging zelfs zover door te beweren, dat Van Hout niet eens 44 km. zou hebben afgelegd, dat er van een recordverbetering geen sprake was.

Nu kunnen wij ons indenken, dat iemand het niet prettig vindt, wanneer hij na ongeveer 20 jaar door een eenvoudige Hollandse jongen wordt onttroond, maar van een eerlijk sportman, waartoe wij Oscar Egg ongetwijfeld hadden gerekend, hadden wij mogen verwachten, dat ook hij de prestatie naar volle waarde had weten te schatten en niet met een kleinzieligheid was komen aanzetten om te trachten Van Hout’s recordverbetering ongedaan te maken.

Oscar Egg klautert over het hek te Roermond. Verklaring van den Zwitser aan Belgische journalist. Baanmeting bestreden. Naar aanleiding van de zonderling, uitlatingen van Oscar Egg over de meting van de Roermondse -wielerbaan heeft de correspondent. v. d. Tel. gisterenmorgen een onderhoud gehad met het hoofd van het Kadaster te Roermond, die meedeelde, dat door hem de uitlatingen van Oscar Egg betreurd worden, en dat de Zwitser absoluut niet het minste begrip heeft van het opmeten van een wielerbaan die een ovalen vorm heeft Het is op zijn sterkst uitgedrukt onmogelijk om een baan die niet loodrecht is, met een duimstok die men te Luik en te Roermond koopt, na te meten. De gewone verkochte duimstokken zijn bovendien ook niet aan een keuring onderworpen, die voor de eik-maten vier maal per jaar geschiedt. De baan is te Roermond gemeten met een officiële stalen meetband van 10 m lengte, en wel is de baan gemeten drie maal in de richting zoals de baan bereden wordt en een maal in de tegenovergestelde richting. Al deze metingen klopten precies. De heer Ballegooien is iemand die jarenlange* ervaring heeft en voor zeer vele lastiger metingen heeft gestaan dan een wielerbaan. De juistheid van zijn metingen wordt merendeels nagegaan door particuliere- landmeten., die altijd vol lof over den heer Ballegooien zijn, vooral wegens zijn buitengewone securiteit. Voor het hoofd van het bureau van liet Kadaster was het nogmaals onbegrijpelijk dat iemand als Oscar Egg een rijks-ambtenaar en beëdigd landmeter van het Rijkskadaster, die bij zijn superieuren staat aangeschreven als een zeer betrouwbaar geroutineerd ambtenaar, durft aan te vallen omtrent een eenvoudige meting als die van een wielerbaan. Voorts deelde hij nog mede, dat het natuurlijk buiten de verantwoordelijkheid van de landmeter omgaat, of de wielerbaan op de juiste plaats is gemeten. Deze plaats is hem aangewezen door den hoor Darmstad, lid van de sportcommissie der Nederlandse Wieler Unie en door den heer F. Hirschman, officieel tijdopnemer der N.W.U., dit alles in tegenwoordigheid van Jan van Hout die omtrent de juiste plaats van meting ook wel op de hoogte is. De verklaring van den heer Darmstad over de juistheid der meting is reeds gegeven. Nadere informaties wijzen thans uit. dat Egg inderdaad Maandag te Roermond geweest is, doch op clandestiene wijze zich toegang tot de baan verschaft heeft. Egg heeft namelijk telefonisch aan een redacteur van het Brusselse blad “La Dernière Heure” verklaard, dat hij de wielerbaan gesloten vond en toen gezamenlijk met Henri Aets over het hek geklommen is en zich toegang, tot de baan heeft verschaft. Samen met Aerts heeft hij daarop de baan gemeten.. Hij constateerde, dat de baan met intervallen gemerkt was en blijkbaar met afstanden van 10 meter is opgenomen. Naar de verklaringen van Egg Konden deze afstanden van tien meter echter niet kloppen en herhaaldelijk verschillen aanwijzen van vijf tot 10 centimeter.

Natuurlijk was de Franse pers het met Egg, die reeds tal van jaren te Parijs woonachtig was, volkomen eens. Maar thans komt het meest ergerlijke van de gehele geschiedenis. Enige dagen later komt het bericht, dat een Fransman, een zekere Maurice Richard erin, geslaagd is op de Wielerbaan St. Truiden, in België Van Hout’s prestatie te overtreffen door een afstand af te leggen van 44 km 777 meter, een verbetering dus met 189 meter. We willen natuurlijk niets afdoen aan de geweldige verrichting van de Fransman; wij nemen aan, dat deze wereld-recordverbetering volkomen juist is. Maar wat ons wel ergert is, dat de chauvinistische Franse pers thans met geen woord rept over de mogelijkheid, of de afmeting van de baan te St. Truiden wel juist is. Waarom moet wel de baan te Roermond en niet die te St. Truiden worden nagemeten? Met genoegen hebben wij gelezen, dat Van Hout andermaal zal trachten het record op zijn naam te brengen en daartoe van de baan te St. Truiden gebruik zal maken. Wij zijn overtuigd, dat Van Hout niets onbeproefd zal laten om zijn ideaal te bereiken; slaagt hij hierin te St. Truiden, dan zal het de Franse pers toch wel uiterst moeilijk vallen om nogmaals zijn prestatie in twijfel te trekken.Intussen hopen wij van harte, dat Van Hout den Fransen spoedig zal hebben getoond waartoe hij in staat is.

25-08-1933 Het is mij de grootste eer na 19,5 jaar het feit dat ik Eggs record gebroken heb en dit gouden boek (L’Auto) te mogen tekenen, Record 44,588, Jan van Hout, Holland (L’Auto 29 augustus 1933)

In bovenstaand stukje schreven wij, dat beweerd werd, dat Oscar Egg persoonlijk naar Roermond was gekomen, om de baan te meten. Deze bewering werd eerst tegengesproken. Maar  Egg wel terdege in Roermond is geweest en persoonlijk de baan heeft gemeten. Tijdens een bezoek, dat hij met den nieuwen recordhouder Richard aan L’Auto bracht, heeft hij het volgende medegedeeld:
,,Ik ben met den Belgische renner Henri Aerts naar Roermond gegaan en wij hebben samen 2 duimstokken gekocht om onze opmetingen te kunnen doen. Toen wij bij de Wielerbaan aankwamen was deze gesloten; wij troffen nergens een conciërge aan en zijn toen over de balustrade geklommen, waarna wij rustig onze opmetingen hebben kunnen doen. Zoals het reglement voorschrijft is ook op deze baan een lijn getrokken op ongeveer 30 c.M. van de binnenlijn, maar inderdaad bevindt deze zich wel op 35 c.M. Minutieus hebben wij daarna de einden van de meters tegen elkaar gelegd en zijn wij gekomen tot een lengte van 202.45 meter. De zelfde meeting hebben wij in de andere richting gedaan, met hetzelfde resultaat. Er is dus geen twijfel mogelijk; deze baan meet 202.45 meter. En uit vrees, dat onze beide meters niet juist waren, heb ik voordat wij naar België teruggingen nog een derde meter gekocht, om de beide andere te verifiëren.
Zou de baan te St. Truiden, waar Richard, een leerling van Oscar Egg, zijn record maakte, eveneens aan een dergelijk minutieus onderzoek zijn onderworpen?


Het volk 2 Augustus 1933: Oscar Egg, komiek in een drama Nieuwe „onthullingen” van den Zwitser, die bang is voor zijn 10.000 frs. Hij kletst maar wat De baan is minutieus en goed door den landmeter gemeten Geen millimeter verschil Roermond, — Vrijdag. De affaire-Van Hout wordt met den dag ernstiger, komischer en lachwekkender, allemaal tegelijk. En Egg speelt hierin de niet al te benijdenswaardige rol van iemand, die zich het belachelijke moet aantrekken. Gelukkig is hij er zeil de schuld aan. Uit gegevens, die hij aan „L’Auto” heeft verstrekt, als zijnde, nadere bijzonderheden over zijn geheimzinnig bezoek aan Roermond, zoo geheimzinnig zelfs, dat wij ondanks alles nog niet geloven kunnen, dat hij er werkelijk is geweest, vernemen wij, dat Egg den Belgische renner Henri Aerts had meegenomen en dat zij, in het bezit zijnde van twee duimstokken, toen zij bij de wielerbaan aankwamen, deze gesloten vonden. Er was ook geen portier, zodat zij maar over het hek zijn geklommen. Precies zoals wij reeds geschreven hebben. Indien zij werkelijk in Roermond en op de wielerbaan zijn geweest, hebben zij zich als echte kwajongens aangesteld. Waarom hebben zij zich niet in verbinding gesteld met de baandirectie? En waarom niet met den gewraakte beëdigde landmeter, dien zij thans op zulk een onheuse en onsportieve wijze tevens in diskrediet hebben trachten te brengen? Uit de verdere bijzonderheden, die Egg van zijn geheimzinnige sluiptocht benevens klimpartij vertelt, vernemen wij nog, dat Egg de baan rustig heeft opgemeten in twee richtingen, waarna hij tot het resultaat kwam, dat de baan slechts 202 meter 45 centimeter bedroeg, ln tegenstelling tot de officiële meting van 205,90 meter. En dan komt het merkwaardige: „Om onzen twijfel in zake de nauwkeurigheid van onze meetinstrumenten op te heffen, kocht ik nog een derde duimstok om de belde andere te controleren. waarbij de juistheid van onze meeting nog eens kwam vast te staan zegt Egg, Dit is zulk een grote dwaasheid, dat het eigenlijk schande is van een fatsoenlijk blad om hier verder op in te gaan: twee gewone, ongeijkte duimstokken worden gecontroleerd door een derden, eveneens ongeijkte duimstok. Het is fraai! Het is bovendien niet mogelijk een wielerbaan met een stijven duimstok te meten. Maar in de tweede plaats, zijn deze stijve duimstokken betrouwbaarder dan de meetinstrumenten van een meter van beroep, zoals den heer Ballegoyer, beëdigd en wettelijk bevoegd landmeter van het kadaster te Roermond? Zaterdag 19 Augustus, op dezelfde dag, waarop Van Hout zijn 5 en 10 K.M.-record vestigde en tevens dat van Egg en Archambaud verbeterde, had de meting in alle finesses plaats. Van Hout was te Roermond en wilde met alle geweld de baan nog eens gemeten hebben, evenals de heer Darmstadt, die de vroegere meting bekrachtigd wilde zien door een officiële, gedaan door een beëdigd landmeter in Roermond woont niet ver van de baan Oscar Egg heeft aan zijn enormiteiten van de laatste dagen weer een nieuwe toegevoegd: de landmeter zou de baan verkeerd gemeten hebben. Een onzer verslaggevers heeft daarop opnieuw een bezoek aan de Roermondse baan gebracht en daar ervaren, hoe nauwkeurig niet alleen, maar ook hoe juist de baan door den heer Ballegoyer gemeten is. De heer Ballegoyer, landmeter van het kadaster. Vlug werd bij dien man aangebeld. Deze had een vrije Zaterdagmiddag, maar gaf zich, na lang aandringen der wielersportenthousiasten gewonnen. Zijn meetinstrumenten bevonden zich echter te Reuver, enkele kilometers van Roermond verwijderd. Ook dit was geen bezwaar. Fluks werd met een auto naar Reuver gereden, waar men met twee auto’s de meetinstrumenten afhaalde. Daarop ging het naar. de Roermondse wielerbaan, waar in alle gemoedsrust de meting een aanvang nam. Bij deze officiële meeting waren aanwezig, behalve de heer Ballegoyer, de heer F. Hlrschman, officiële tijdwaarnemer van de N.W.U., waarvan men toch mag veronderstellen, dat hij de Juiste methode kent van het reglementaire opmeten van een baan, zoals dit door de N.W.U. wordt voorgeschreven. Dan waren nog tegenwoordig Jan van Hout, de heer Darmstadt lid der sportcommissie en de heer Frank, de baandirecteur, die ons deze nadere bijzonderheden mededeelde. Tevoren had men bij het kadaster te Roermond nauwkeurig en zeer consciëntieus de meetinstrumenten nog eens gekeurd en herijkt, opdat toch maar vooral niet de minste twijfel omtrent de juistheid der baanmeting kon aanwezig zijn. En met deze nauwkeurig gestelde meetinstrumenten toog men te werk.

Op de baan van Sint Truiden op 29 augustus 1933 doet de Fransman Maurice Richard ook een aanval op het werelduurrecord, binnen een uur legt hij 44 kilometer en 777 meter af. Dat is 189 meter meer dan Van Hout, die zijn record slechts vier dagen in handen heeft. En dan wordt het niet eens officieel geboekstaafd. De NWU laat het erbij zitten, want de heisa die Egg veroorzaakt maakt de zaak er niet duidelijker op, en Van Hout is toch alweer ingehaald. Het zal de Eindhovense crack nog lang dwars zitten.

L’Auto 30 augustus 1933 Maurice Richard verbreekt het record van Van Hout

De eerste aanzet tot volledige erkenning van Jan van Hout’s record kwam pas veertien jaar geleden op gang. Op 15 mei 2006 kreeg Van Hout een monument op de Cauberg, in zijn geboorteplaats Valkenburg, onthuld in aanwezigheid van Bernard Hinault.

Op 15 mei 2006 wordt Jan van Hout in zijn geboorteplaats Valkenburg geëerd met een monument. Eén van de initiatiefnemers voor het oprichten van de gedenkzuil op de Cauberg voor het Casino in Valkenburg is sportverslaggever Jean Nelissen. De onthulling wordt verricht door Jan van Hout’s weduwe Anneke Louwers, burgemeester Nuytens en door Bernard Hinault.

klik en ga naar de tekst over Jan van Hout, een taaie, in Achilles 03

1971-06-20 Nederlands wegkampioenschap profs Valkenburg

Joop Zoetemelk, een waardige kampioen.

De 24-jarige wielerprof uit Rijpwetering behoorde bij die groep van dertien renners, die zich in de tweede ronde van het bijna tien kilometer lange circuit afscheidde van het peloton. Als makkers had hij Eef Dolman en Wim Bravenboer bij zich, maar van dit tweetal heeft de bruisend enthousiaste Zoetemelk in zijn 170 kilometer durende strijd tegen zes vertegenwoordigers van Pellenaars’ Goudsmit-Hoff equipe pas in de slotfase van Eef Dolman de hulp gekregen waarop hij recht had. Toen Zoetemelk namelijk op ongeveer vijftig kilometer voor het einde meesprong met de taaie Wim Prinsen, was het Dolman, die de gretige Gerben Karstens de doorgang belette.

Joop Zoetemelk, foto Wiel Vasmeer

Zo kreeg het nationale kampioenschap een boeiend slot met het duo Zoetemelk in eerste linie. Karstens, afgeremd door Dolman, op anderhalve minuut, daarachter de „Franse” renners Janbroers (Peugeot) en Harry Jansen (Sonolor) met als bewaker Matthijs de Koning in de wielen. Heel even dreigden er moeilijkheden tussen de twee aan kop toen Prinsen weigerde deel te nemen aan het zware werk. “Kom op”, schreeuwde Zoetemelk. “Nee” antwoordde Prinsen. „Dan stop ik ook” dreigde de Mars-Flandriaman. „Dan wordt Karstens kampioen” repliceerde de kleinste man van Pellenaars. „Of Dolman”, brieste Zoetemelk. Dat was voldoende. Prinsen wist maar al te goed, dat vrijwel geen renner zo snel de meters van een stijgend parkoers neemt als Dolman. Prinsen zette zich opnieuw in de pedalen. Hij nam overmoedig de leiding bij de beklimming van de laatste Cauberg aan de top waarvan de finish lag. De slimme Zoetemelk trok zonder moeite mee omhoog om op ongeveer honderd meter voor het spandoek genadeloos toe te slaan.

Rini Wagtmans en Joop Zoetemelk, foto Wiel Vasmeer

Voorbeschouwing

FAVORIETEN WEER OP CAUBERG

Strijd om de wielertitels wordt boeiender dan ooit

Limburgs Dagblad 12 juni 1971

Zondagmiddag om 1 uur gaan de beroepsrenners van start voor jaarlijkse koers waarbij het Nederlands kampioenschap te verdienen of te verdedigen valt. Op de Valkenburgse Cauberg- Op een parcours dat door de jaren heen wereldvermaardheid heeft verworven. Een helling van 12 procent die als de grote „brokkenmaker” kan fungeren. Ken helling ook die vele wielercracks al de das heeft omgedaan. Of hen soms in één grandioze klap tot de top van de wielersport heeft gebracht.

Rene Pijnen en Joop Zoetemelk, foto Wiel Vasmeer

Enkele jaren heeft de Adsteeg in Beek als een uitstekende plaatsvervanger gefungeerd. Er zijn daar in Beek adembenemende koersen gehouden. Uitstekend georganiseerd. Met duizenden toeschouwers. Maar Valkenburg hééft nou eenmaal die naam in de wielersport die de wielermassa doet vergeten dat ook andere plaatsen dan het Geulstadje in staat zijn evenement op dit niveau te organiseren. Valkenburg heeft namelijk de beschikking over een „beul” die zijn weerga in de vaderlandse wielersport niet vindt: de Cauberg.

Evert Dolman en Jan Krekels, foto Wiel Vasmeer

Door, de keuze van het parcours is het uitgesloten dat het een saai koersje gaat worden. Ken Wim van Est, een Wout Wagtmans. kenners van het vak dus, voorspellen dat het juist dit jaar enorm zal gaan spannen. Het is niet doenlijk om een winnaar te voorspellen maar de namen van Gerben Karstens. Jan Krekels en Harrie Stevens springen toch duidelijk naar voren.

Caubergcircuit NK 1971

Als favoriet nummer 1 geldt echter de momenteel zeer sterk rijdende Wim Schepers. Wie gezien heeft met welk een gemak de coureur onlangs in Simpelveld de Hulsberg nam, hoe soepel Schepers daar dansend naar boven ging moet toegeven dat de man uit Meers-Elsloo ook op de Cauberg een beste kans maakt. Een hele beste.

Direct na hem dient Joop Zoetemelk genoemd te worden. Hij steekt in grote vorm en behoort ook tot de betere klimmers. Evenals ook Rini Wagtmans. En dan is er nog altijd een zekere Jan Janssen. Deze coureur waarvan men zegt dat hij in zijn „nadagen” rijdt kan zeer zeker voor een verrassing zorgen. Jan Janssen werd wereldkampioen, Jan Janssen won de Tour de France. Hij fietste van de ene zege naar de andere. En nu, in 1971, is deze coureur, die gezegd heeft dat hij geen Tour de France meer zal rijden, al weer en nog altijd enkele malen in de voorste gelederen geëindigd. Jan Janssen, met een bijzonder sterke Limburgse supportersclub achter zich, geldt als de grote outsider voor dit kampioenschap.

Plaatselijk favoriet Ton Habets en Rini Wagtmans, foto Wiel Vasmeer

Er bestaat voorts ook nog een Goudsmit-Hofploeg. Met coureurs die als het moet allemaal uitstekend voor de dag kunnen komen. Het prijzenschema is zodanig dat elke coureur verdient. Zondag  20 juni  1971. Historische dagen voor Valkenburg. Omdat de kampioenschap er na dertien jaren terug van is. Topsport voor het Geulstadje.

Dankzij het Limburgs Dagblad. In de eerste week van juni al was het op de Cauberg een wielrendrukte van belang: er werd en wordt getraind dat de stukken er af vliegen. Eén ding staat vast: de Cauberg heeft een egaal wegdek gekregen. Hetgeen de heer Goud van de KNWU de opmerking ontlokte: Hier vliegen de renners naar boven. Maar dat zal nog moeten blijken. Wij houden het toch meer op de uitspraak van oud-consul. de heer Pisters: de Cauberg is ook nu, moeilijker dan men denkt.

deelnemerslijst NK 1971

wedstrijdverslag

Nederlaag voor Goudsmit Hoff

JOOP ZOETEMELK STERKE KAMPIOEN

Limburgs Dagblad 21 juni 1971

Na het kampioenschap voor de Dames (winnares Keetie van Oosten- Hage) en de Amateurs (winnaar Jan Spetgens, lees het uitgebreide fotoverslag alhier) was het op zondag 20 juni 1971 de beurt aan de beroepsrenners. Joop Zoetemelk is een waardige en sterke landskampioen van de beroepsrenners geworden. Drie ronden voor het einde zei hij met Wim Prinsen de kopgroep van twaalf man vaarwel en eendrachtig samenwerkend bouwde dit tweetal aan een onoverbrugbare voorsprong welke bij het ingaan van de laatste de ronde anderhalve minuut bedroeg.

Links Leo Duijndam en Evert Dolman, Rechts Cees Stam en René Pijnen in actie op de Cauberg, foto Wiel Vasmeer

Aan het wiel van Prinsen ging Zoetemelk voor de laatste maal tegen de Cauberg op. Maar voor de kenners stond al vast wie dit duel ging winnen, bij het ingaan van de laatste steile bocht demarreerde de klimmer Zoetemelk en met een voorsprong van wel twintig meter op Prinsen ging hij zegevierend over de eindstreep. Veel later arriveerde een gedesillusioneerde Gerben Karstens, die beslag legde op de derde plaats voor Evert Dolman die zijn taak als hulp voor Zoetemelk weer voortreffelijk had gedaan.  Hoewel de strijd om de nationale titel niet tussen ploegen hoort en pleegt te gaan was het dat in feite wel al betrof het nu slechts twee groeperingen.

Het dertiental waaruit tenslotte de winnaar kwam en dat vanaf de vierde ronde de strijd heeft beheerst, bestond immers uit zes mannen van Goudsmit Hoff: Gerben Karstens, Harry Steevens, Cees Rentmeester, Mathijs de Koning, Wim Prinsen en Leo Duyndam terwijl Mars Flandria was vertegenwoordigd door het drietal  Joop Zoetemelk, Eef Dolman en Jan Bravenboer.

Valkenburger Ton Habets in actie op zijn Cauberg, foto Wiel Vasmeer

Dan waren er nog de eenlingen Harry Janssen van Sonolor Lejeune, Ben Janboers van Peugeot en René Pijnen van Bic. Eerder behoorde Cees Stam van Ketting ook nog tot de kopgroep, maar hij raakte achterop door materiaalpech en staakte tenslotte de strijd. In feite heeft het Mars-trio door beter koersinzicht het Goudsmit Hoff-zestal een duidelijke nederlaag toegebracht. Dolman en Bravenboer stelden zich volledig in dienst van hun beste troef Zoetemelk en deze deed het voortreffelijk. Hij was het, die alle demarrages meteen beantwoordde. Vijf ronden voor het einde begon Gerben Karsten aan een fel offensief, maar Zoetemelk bleef aan zijn wiel. Laatstgenoemde wist, dat hij met Karstens minder kans zou hebben op de eindzege en daarom deed hij ook geen kopwerk.

door Harry Theunissen

Limburgs Dagblad 21 juni 1971

Alle pogingen van het Pellenaars-zestal om Zoetemelk „onder het behang te plakken” liepen op niets uit. Toen Prinsen in de achttiende ronde demarreerde, zag Zoetemelk daar wél perspectief in. Aanvankelijk voelde Prinsen weinig voor een vlucht met de Mars-man, maar na een kort overleg met Zoetemelk besloot de discipel van de Pel het te wagen. En hij verloor. Karstens begreep wel wie van de twee koplopers het duel ging winnen. Hij stelde nog alles in het werk om het tweetal te achterhalen, maar hij kreeg Dolman aan zijn achterwiel en daardoor kon de Karst het gat niet meer dichten.

Zo kreeg de laatste fase van dit kampioenschap van de broodrijders nog een alleszins interessant slot dat de vijftienduizend toeschouwers met de grootste belangstelling volgden. Zoals gezegd, ontstond de definitieve afscheiding al in de vierde ronde. Wagtmans, Benjamins, Krekels, Serpenti, Van der Vleuten, Vianen en Van Leeuwen misten de aansluiting en hadden al vlug een achterstand van een minuut. Wagtmans probeerde nog weg te komen, maar de Molteni-man kreeg niet de minste steun en daarom viel hij uit. Halverwege de wedstrijd, waaraan slechts 39 profs deelnamen, kwam het peloton nog tot op 35 seconden van de hoofdmacht, maar toen daar het tempo werd opgevoerd door demarrages van de Goudsmit Hoff-zes waren de achtervolgers op het zware parkoers met veel tegenwind maar gelukkig zonder regen, kansloos en liep hun achterstand op tot vele minuten, Jan Krekels was een van de velen die er geen heil meer in zag en afstapte. De achterhoede die meer dan een kwartier achterstand had, bestond uit het vijftal Holst, Gerrits, Van Deene, Van den Berg, en Aarts. Zij behoorden tot de 21 die de wedstrijd uitreden en daarmee een prijs van ongeveer honderd gulden verdienden.

Vanaf de 4e ronde vormde een kopgroep van 13 coureurs het verdere verloop van het kampioenschap

Joop Zoetemelk: „Cauberg mijn enige kans”

Die Cauberg was mijn enige kans om ooit kampioen van Nederland te worden. Als we volgend jaar weer ergens anders rijden, dan gaat de titel naar iemand als Peter Kissner”. Deze woorden van Joop Zoetemelk logen er niet om. Maar de kersverse kampioen bij de profs liet hierna onmiddellijk volgen, dat hij in de Ronde van Spanje veel routine had opgedaan in bergsprints.

v.l.n.r. Joop Zoetemelk, Eef Dolman en Mathijs de Koning op de top van de Cauberg, foto Wiel Vasmeer

„Daarom wist ik ook precies hoe ik Wim Prinsen moest aanpakken als het zo ver was. Op het vlakke stuk voor de laatste bocht wilde hij wéér niet overnemen. Maar hij moest volgens mijn plannen op kop rijden in de klim. Daarom bracht ik een kunstje in de praktijk, dat ik van Eric de Vlaeminck heb afgekeken. Ik versnelde, ging schuin links voor Prinsen rijden en toen hij aanzette, kneep ik heel even in mijn remmen. Prinsen schoot me toen voorbij. Hij moest nu wel omhoog. Ik heb erg goed op hem zitten letten.” In zijn rood-wit-blauwe tricot glunderde Joop Zoetemelk nog na over het slagen van zijn tactiek en verduidelijkte hierna hoe hij zijn rivaal tenslotte versloeg. „Na de laatste bult in de Cauberg schakelde ik naar een sprintversnelling en toen Prinsen dat zag zette hij aan. Daarna heb ik alles op alles gezet. Ik ging met 53×18 naar boven en schakelde een paar honderd meter voor het einde naar een versnelling van 53×13. Met alle kracht die ik in me had stoof ik naar boven en hierna was Wim Prinsen een verslagen man.”

Aan de voet van de Cauberg, vijf ronden voor het einde begon Gerben Karsten aan een fel offensief, Karstens leidt hier voor Wim Bravenboer, in de achtergrond Zoetemelk en Prinsen, foto nationaal archief

HONDERDDUIZEND FRANCS VAN MARS-FLANDRIA
Leuk extraatje voor kampioen Zoetemelk
Wagtmans: „Cauberg grandioos parcours”

Sjefke Janssen, chef d’equipe van Mars Flandria’s amateurs was een van de gelukkigste mensen van het afgelopen weekeinde waarin het Limburgs Dagblad wielerminnend Nederland weer een Cauberg als wedstrijdmaker gebracht heeft. De man uit Elsloo was al méér dan content toen hij zaterdagmiddag bij de amateurstrijd de drie eerstaankomenden als “zijn” jongens kon feliciteren.

Zoetemelk springt halverwege de Cauberg, op ongeveer vijftig kilometer voor het einde, met de taaie Wim Prinsen mee, foto nationaal archief

Jefke Janssen voelde zich de koning te rijk toen hij, als groots “plaatsvervanger van Briek Schotte zondagmiddag bij de finish van de profs opnieuw een overbekende Mars-Flandria-figuur als eerste over de eindstreep zag gaan: een waardig kampioen in de eigenlijk te frêle figuur van Joop Zoetemelk.

Aanvankelijk voelde Prinsen weinig voor een vlucht met Joop Zoetemelk, maar na een kort overleg met de Mars-Flandriaman besloot de discipel van de Pel het te wagen. En hij verloor, foto nationaal archief

door Breur Loffeld

Zoetemelk een NAAM in de internationale wielersport.

Janssen: „Mars-Flandria had 100.000 Belgische franken extra uitgeloofd als een Mars-Flandriaan de titel kon wegsiepen. Joop reed enorm sterk. Hij had bovendien de niet te onderschatten steun van Eef Dolman en Wim Bravenboer. Twee jongens die alles uit hun kast verreden hebben om Joop te helpen. Zoetemelk heeft door deze overwinning enorm veel zelfvertrouwen gekregen. Joop gaat nu ineens op een heel andere manier naar de Tour de France dan alleen maar om zijn tweede plaats van verleden jaar te verdedigen”.

helaas geen goeie finishfoto van de nieuwe kampioen

Limburgs Dagblad 21 juni 1971: Daar gaat Joop, mede dank zij Mars kampioen bij de profs

Rini Wagtmans voelde zich sterk. En was ook sportief: „Ik ben blij dat de trui bij een vedette terecht is gekomen. De naam Zoetemelk zegt echt wel iets in het buitenland. Overigens was het hier een formidabel parkoers. Ik hoop dat het volgend jaar de kampioenschappen weer hier op de Cauberg gehouden worden”.

De eerste Limburger die zondag over de eindstreep ging was Harry Stevens: „Ik reed goed. Maar ik kreeg een lekke band toen de slag viel. Ik ben natuurlijk toch gedemarreerd om weer bij te komen, maar toen ik nog zo’n 50 meter van het kopgroep je was, reed ik wéér plat. En toch ben ik bij de kopgroep gekomen. En in de laatste ronde, het was of de duvel ermee speelde, kreeg ik opnieuw een kapotte band. Nou. dan ben je wel weg, hè? We zullen maar zeggen dat ik geen geluk gehad heb.”

In de laatste honderden meters naar de finish werd Wim Prinsen volledig verrast door de man uit Rijpwetering. Wim prinsen passeert de streep als 2e, foto nationaal archief

WIELERSPORT NIET „DOOD”

De pessimisten hebben ongelijk gekregen. De pessimisten die de laatste maanden uitbazuinden, dat de Nederlandse wielersport op weg is naar haar graf. Zaterdag en zondag is op de even befaamde als beruchte Valkenburgse Cauberg het bewijs geleverd, dat de „levensgeesten” waarachtig nog niet zijn geweken. De tienduizenden, die ondanks de vaak erbarmelijke weersomstandigheden twee dagen de klim omzoomden, hebben kunnen constateren dat ook in ons land een wielerwedstrijd nog altijd een bijzonder boeiende bezigheid kan zijn.

door Will J. Poulssen

Joop Zoetemelk met zijn eerste (bij de profs behaalde) nationale kampioenstricot, foto’s Wiel Vasmeer

Joop Zoetemelk, van wie zo lang werd beweerd, dat hij o zo moeilijk in het offensief durfde te gaan, trotseerde op het Caubergcircuit niet alleen alle aanvallen, maar liet in de beslissende slotfase duidelijk zien, dat hij het eigen initiatief beslist niet schuwt.

Hij moest optornen tegen de aanvalsdrift van de mannen uit de „colonne” van Kees Pellenaars. Vooral tegen de kleine Wim Prinsen die van geen wijken wist en als snelle sprinter terecht door Joop Zoetemelk werd gevreesd. In de laatste honderden meters naar de finish werd de „vlo uit Hank” echter volledig verrast door de man uit Rijpwetering.

Enfin: twee dagen wielersport van hoog gehalte hebben bewezen, dat deze sport heus nog niet „dood” is. Dat was overigens niet in het laatst te danken aan bet Caubergcircuit. Na dertien jaar bleek overduidelijk, dat men voor een titelstrijd met allure en sfeer in het Geulstadje moet zijn. Het Limburgs Dagblad heeft dit met de organisatie van dit evenement duidelijk aangetoond. Met deze wetenschap verlieten de duizenden dan ook gisteravond de Valkenburgse contreien.

Zoetemelk op het hoogste schavot, verdient winnaar en tevens fl 5000,- rijker door de extra premie van Mars-Flandria, foto nationaal archief

Op het podium tijdens het spelen van de nationale hymne, v.l.n.r. Wim Prinsen, Miss Limburgs Dagblad, Joop Zoetemelk en Gerben Karstens, foto nationaal archief

Uitslag NK 1971 bij de beroepsrenners:

  1. J. Zoetemelk, Rijpwetering, 190 km in 4.49.04
  2. W. Prinsen, Hank
  3. G. Karstens. Prinsenbeek op 1.06
  4. E. Dolman. ‘s-Gravendeel op 1.12
  5. H. Janssen, Westzaan op 3.01
  6. B. Janbroers, Amsterdam
  7. M. de Koning, Scherpenzeel
  8. R. Pijnen. Woensdrecht
  9. C. Rentmeester, Ovezande op 3.05
  10. W. Bravenboer, Klaaswaal op 4.55
  11. H. Stevens. Elsloo op 5.08
  12. H. van Leeuwen, Den Haag op 10.46
  13. H. Benjamins. Hollandseveld op 10.54
  14. W. Wanders. Meerssen
  15. J. Serpenti, Wijk aan Zee op 10.59
  16. J. v.d. Vleuten. Helmond op 11.17
  17. D. Holst. Amsterdam op 17.23
  18. M. Gerrits. Oploo op 22.51
  19. G. van Deene. Den Haag op 36.49
  20. W. v.d. Berg, Wateringen
  21. W. Aarts. Gronsveld op 44.25

foto nationaal archief, volg de link

foto nationaal archief, volg de link

September 2018, Joop Zoetemelk trekt voor de volkskrant zijn Nederlandse kampioenentrui van 1971 nog eens aan. de Volkskrant Foto FaceBook ©Stephan Vanfleteren

1950-09-23 Martinussen & Lumey

Over twee Limburgse wielerpioniers en hun anekdotes

Jean Martinussen (geb. te Gulpen 23-03-1883) en Lambert Lumey (geb. te Wittem 31-03-1881) vertelden in een interview met het Limburgsch Dagblad (23-09-1950) over hun rennersleven in het eerste decennium van de vorige eeuw. Over toen zij de Zuid-Limburgse wegen met hun Alcyon’s onveilig maakten, wielerwedstrijden van alle soort en afmeting in binnen- en buitenland reden en bijna roekeloos met hun sterke krachten omsprongen, als kende het menselijk uithoudingsvermogen geen grenzen. Zij lééfden, áls zij maar fietsen konden en bekreunden zich niet om plasregens en orkanen, klaagden niet over de barbaarse toestand, waarin de wegen verkeerden en kenden geen vermoeidheid als zij wedstrijden van bij de 400 km hadden gereden.Beiden maakten naam in binnen- én buitenland.

Hun namen werden met ontzag en bewondering door de toenmalige wielerfans in België, Frankrijk en Duitsland uitgesproken. Dat was rond de jaren 1905, toen de coureurs nog niet over de gladde wegen van thans gleden en ook niet het lichte, elegante materiaal van tegenwoordig met z’n veelvoud aan versnellingen kenden. De wegen mochten die naam toen niet hebben en ’n racefiets, zonder een versnelling woog toen nog altijd 12 kg. Zij haalden oude herinneringen op, schots en scheef door elkaar, van de ene wedstrijd op de ander springend, Martinussen met felle gebaren en in het ongekuiste wielerjargon soms, Lumey bedachtzamer en met meer zorg zijn woorden kiezend, beiden met een jongensachtige pret in hun ogen, omdat zij nog eens over die tijd konden praten, daarbij namen noemend van renners en officials, die lang tot hun vaderen verzameld zijn.

In de doolhof van herinneringen hielpen zij elkaar op weg met „weets tich nog in Aken ” of „Herinnert tich nog Verviers ” en de namen van andere plaatsen waren de sleutels, die de toegang tot een bijna vergeten historie gaven. Er volgden alsmaar verhalen, soms sterke verhalen, onderhoudend en interessant en dooi beiden met verve voorgedragen, elkaar aanvullend in de details, omdat de barre avonturen op de weg dikwijls samen beleefd waren. Jean Martinussen en Lambert Lumey, twee oud-renners, twee vrienden in de sport en in zaken, twee vitale kerels nog, die nog niet het gezapige bestaan van de gepensioneerde kennen, beiden nog actief en Martinussen in zijn garage zeker niet opzij gaand voor een jonge kerel. In hun tijd waren zij werkelijk niet de eerste de beste en er schuilt geen kranten letter overdrijving in, als wij zeggen, dat zij gevreesd en geroemd werden.

L’Auto 30 août 1907, de 8 uren van Verviers, een van de vele krantenknipsels waarin Lambert Lumey vermeld staat

Wilt U iets om hun grote staat van dienst weten? Jean Martinussen werd in 1907, 1908, 1909, 1912 en 1913 kampioen van Limburg en Lambert Lumey behaalde in 1910 deze titel, toen Martinussen de tweede plaats bezette.

Martinussen eindigde als 5de in het algemeen klassement van de z.g. eerste Ronde van Nederland, die uit drie etappes bestond t.w. Amsterdam-Maastricht, Maastricht- Groningen en Groningen-Amsterdam. Voor deze prestatie ontving hij de eremedaille van H. M. de Koningin. Hij won een keer in 1909 Brussel-Luik en werd in 1908 tweede in Luik-Bastogne en een andere keer 3e in deze vermaarde Belgische klassieker, zegevierde ook een maal in de Ronde van Aken, een handicapwegwedstrijd, waarin niet minder dan 150 renners starten en waarin Martinussen tot de laatste 25 behoorde, die van start mochten gaan. Het aantal kleine wedstrijden, dat hij won vermocht Martinussen zich niet meer te herinneren. Het waren er velen en het waren overwinningen in kermiskoersen en grasbaan wedstrijden. Hij vocht het in eigen omgeving vaak met Lambert Lumey in de sprint uit en het aardige van die strijd was, dat hij nimmer de vriendschap tussen deze Gulpense jongens vermocht te verbreken. Zij volgden elkaar wedstrijden, wanneer zij daar niet samen uitkwamen met warme interesse. Lambert Lumey was in die dagen behalve een gevreesde wegrenner evenzo een stayer en baanrijder van meer dan gewone capaciteiten, getuige zijn overwinning op de wielerbaan te Aken om het kleine en grote gouden wiel.

Beeld van de deelnemers aan de “Ronde van Nederland”

Onze vaderlandse sportpersbroeders tikten heden ten dage tien inktlinten op hun tikkertjes aan flarden, wanneer er sprake van een Nederlandse deelneming aan de Tour de France is, maar toen Lambert Lumey rond de jaren 1905 plannen koesterde om aan deze wedstrijd, die toen met recht de naam van monsterkoers droeg, deel te nemen, iedere renner reed toen op zich zelf en was op zich zelf aangewezen, namen hoogstens een paar vrienden kennis daarvan. Dat hij in de Tour de France nooit gestart is had een merkwaardige reden. Lambert Lumey, die zich met zorg en bedachtzaamheid op de Tour de France voorbereidde was voor de training in de Franse klassieker Parijs-Roubaix gestart, maar na de daarin opgedane ervaringen en belevenissen achtte hij het voor zijn gezondheid raadzamer en beter om maar niet tussen het handje vol Belgen en Fransen te starten. Want in Parijs Roubaix strooide de buitenlandse concurrentie kwistig met kopspijkertjes voor zijn wielen met het irriterend gevolg, dat hij niet minder dan 7 nieuwe banden moest opleggen. Lumey zag daarin een waarschuwing en zag van zijn plannen om aan de Tour de France deel te nemen af. Het speet hem wel en nog: meer voor de Roermondse Wielerclub, die de nodige duiten bij elkaar had gebracht om zijn uitzending te bekostigen. „Het zou nodeloze krachtsverspilling zijn geweest om mee te doen, terwijl ik volkomen kansloos was op deze manier ” voegde Lambert Lumey nu zonder spot aan dit sterke verhaal toe.

L’Auto 24 avril 1905, bij de controlepost Lumey  de hollander op 10 minuten van de kopgroep

Martinussen beleefde het bij zijn eerste wedstrijden in België weer anders minder fnuikend voor materiaal, maar minstens zo irriterend, wanneer de „smeerlappen” foefjes uithaalden, die zijn kansen torpedeerden. Bij de éne bevoorradingscontrole, die men in de Belgische klassiekers kende, moest men een stempel op een papier drukken en het gebeurde eens, dat een Belg, die een seconde eerder aan de tafel verscheen na het zetten van de stempel dit meubelstuk met alles erop quasi onopzettelijk onderste boven liep. De Belg kon zodoende een voorsprong op Martinussen nemen, die met stempelen moest wachten, alvorens alles bij elkaar gezocht was. Maar Martinussen, met zoet wraakgevoelens bezield, nam bij een volgende keer revanche door zijn tegenstander met gelijke munt te betalen en toen was het met dergelijke streken ineens afgelopen.

Sfeerbeeld van Parijs Roubaix 1905,  110 deelnemers, Lambert Lumey klasseert zich uiteindelijk als 20e

Voor deze twee knapen had de wielerwereld van toen een kolossaal respect. Zij verkeerden doorgaans in een onweerstaanbare vorm en voor wedstrijden van 200 en 300 kilometer draaiden zij hun hand niet om. Zij volgden dan ook een straf trainingsschema en Jean Martinussen die een onnoemelijk aantal broertjes dood had aan een geregeld leven tussen een paar fabrieksmuren had het bij zijn patroon in Aken zó uitgekiend, dat hij elke dag , en zó 8 maanden lang, een dikke 150 kilometer per dag reed.

’s Morgens reed hij naar de fabriek in Aken, pikte zijn opdracht mee, fietste naar Herbesthal en keerde ’s avonds doodgemoedereerd naar Gulpen terug. „Dacht je, dat wij vroeger na een honderd kilometer moe waren?” en zonder een bevestigend knikje van Lambert Lumey af te wachten vervolgde Martinussen: „Dacht je, dat we vroeger met een auto of per trein naar de plaats, waar wij moesten starten, gingen? Kon je begrijpen. Alles op de fiets. Wij namen als reservemateriaal een paar gloednieuwe banden mee, een onder het zadel en een ander kruiselings over je borst en verder nog de knapzak op je rug. Indien wij in Brussel moesten rijden, vertrokken wij vrijdags reeds. En indien wij in de buurt reden, gingen wij ’s morgens vroeg van huis af en keerden ’s avonds ook weer per fiets terug. En dan gebeurde het vaak genoeg, dat wij twee wedstrijden op één dag reden. Wij waren zo sterk als een beer. En daar moet je nu om komen!” Deze laatste ontboezeming sloeg kennelijk op het jeugdig rennersdom van tegenwoordig, dat als het ware in de watten worden gekoesterd en door gebrek aan een harde training, aan een harde leerschool bovenal niet in staat is om een wedstrijd, welke dc afstand van 200 km te boven gaat uit te rijden. „Man, als ik vroeger over dat materiaal van nu had beschikt, over een racefiets met die lichte tubes en die versnellingen en dan op die wegen van tegenwoordig !”

Martinussen liet zijn toehoorders in onwetendheid over wat hij precies gepresteerd zou hebben, maar men kon het bevroeden. Trouwens het volgende moge toch wel enig idee gaven, hoe hard zij er op hun prehistorische karretjes even na de eeuwwisseling aan trokken. Lumey had bij een wegwedstrijd over 48 km gaande van Gulpen-Maastricht-Vaals-Gulpen een tijd van 1 uur en 26 min. gemaakt. Op een oud diploma met veel gouden krullen en tierlantijnen, waarvan de inkt bijna verbleekt is, stond deze prestatie nog te lezen. ,,Jij zou evenzo goed als ik het nu in een uur gereden hebben, op het lichte materiaal van tegenwoordig, aannemend, dat wij nog zo jong waren,” zo wendde Martinussen zich tot Lumey. De tijden, dat zij hier en daar de lakens uitdeelden ligt ver achter deze twee renners van de oude garde.