2008-01-07 John Braspennincx, koning der smokkelaars

John Braspennincx, Koning der kermiskoersen, Koning der smokkelaars

Tussen 1936 en 1940 werd John Braspennincx (drie keer nationaal kampioen, deelnemer aan de Tour de France en bij de Profs winnaar van in totaal 129 koersen) met een keten van overwinningen een bijzonder gevierd wielrenner, die mede bijdroeg tot een nog steeds unieke prestatie: op dezelfde dag dat hij Nederlands Kampioen werd bij de profs (Lees hier het verslag van het NK 1937 te Valkenburg), behaalde zijn vader de veteranentitel en werd zijn broer Jan kampioen bij de onafhankelijken. Braspennincx: „Voor mij persoonlijk is dat het hoogtepunt geweest”.

De wielerresultaten maakten van Braspennincx een geslaagd sportman op wiens erelijst echter een opvallend gemis is te constateren: klinkende uitslagen in buitenlandse rondes en wereldkampioenschappen. “Het was alsof de duvel ermee speelde. Ik kreeg in die koersen altijd pech”. Dieptepunt in die poel van tegenslag werd voor hem het wereldkampioenschap van 1938 in Valkenburg. Braspennincx: „Ik reed in die tijd zo verschrikkelijk hard, dat ik voor iedereen de uitgesproken favoriet was. Fausto Coppi heeft toen in interviews gezegd: de enige die het kan worden is “Bras”. Maar op het beslissende moment, toen ik eigenlijk al in gewonnen positie lag, brak mijn crank. Ik kreeg een andere fiets, maar daar sloeg de pion van door. M’n kansen waren weg. Ik stapte af. Dat kostte me ten minste veertien mille, want dat bedrag zou ik van m’n sponsor krijgen als ik won. Veertienduizend gulden… in een tijd dat we van negentien gulden per week leefden”.

John Braspennincx, foto archief Jo Hendriks

In 1942 startte hij bijna onvoorbereid in het nationaal kampioenschap op de Cauberg. Braspennincx: „Door dat smokkelgedoe had ik amper kunnen trainen, maar iemand wilde met me wedden en ik ging erop in”. Het resultaat was opzienbarend. Braspennincx: „Ik kwam op kop te zitten met Kees Bakker, die in de afdaling bij de Grendelpoort onderuit ging en mij meesleurde. Ik zwiepte regelrecht de etalage van de juwelierszaak Fevrier in en lag daar uitgestrekt tussen de gouden horloges. Ik kwam er bloedend en vol splinters uit. Ik kreeg de fiets van een gedubbelde renner en ik ben zó verschrikkelijk hard gaan rijden, dat ik met een minuut voorsprong kampioen van Nederland werd”. Ofschoon John Braspennincx een schitterende erelijst opbouwde, schrijft hij het aan het oorlogsgebeuren toe dat er uit zijn wielercarrière niet werd gehaald wat er naar zijn mening inzat. „Door de oorlog ben ik ook intensief met smokkelen begonnen”.

Daarvóór concentreerde ik me meer op het wielrennen, maar in 1940 liep het aantal wedstrijden zo sterk terug, dat ik er wat anders bij moest doen”. Ja, en sinds een Bredase pastoor hem ooit bij een oprechte biecht verzekerde dat smokkelen geen zonde hoefde te zijn, had hij afgerekend met de onzekerheid in zijn geweten.
Hij vulde zijn leven met de successen van een groot sportman, zoals hij er een was: een kasseienbeul van een wielrenner, die het vuur uit zijn pedalen kon trappen. De Belgen, een gezaghebbend volkje in het cyclisme, gaven hem de eretitel: „Koning van de kermiskoersen”. Zowat gelijktijdig in de jaren veertig veroverde hij er nog een: ‘Koning van de smokkelaars”.

John Braspennincx, “Den Bras”, die door zijn ingeboren lef en feeling voor organisatie uitgroeide tot de roemruchtigste smokkelaar van het Brabantse gebied. Toen de Justitie hem uiteindelijk te pakken kreeg als de leider van een unieke en ongeëvenaarde smokkelgang met maar liefst 50 man vast „personeel”, maakte hij een gebaar van goede wil, dat op onthutsende wijze inzage gaf in wat hij verdiende. John schonk de staat vijftien huizen en wees de plek aan waar hij zijn geld had verborgen: ingemetseld in de kelder van zijn huis, waar de ambtenaren met schop en kruiwagen de buit wegdroegen : tweehonderdduizend gulden in zilveren munt! „Dat was natuurlijk niet alles wat ik had maar maakte ik ze dat wel wijs”. Den Bras kreeg bij elkaar opgeteld in totaal 29 maanden gevangenisstraf, uitgezeten in vijf periodes: negen, acht, zes, vier en twee maanden.

Wat in oktober 1947 tijdens het twee dagen durende proces tegen de wielerheld  de justitie vooral bezig hield, was het zo onwaarschijnlijk lijkende feit dat „Den Bras” alleen-verantwoordelijke was voor die spectaculaire daden met de alom bekende kraaienpoten op vluchtroutes, met rigoureuze barricades met de in de smokkelarij baanbrekende uitvinding van de Pantserwagen als vervoerswapen. Kon één man dat wel alleen?

“Ja”, zegt John Braspennincx nu nog steeds, „maar als ik eraan terugdenk vraag ik me óók af hoe dat in ‘s hemelsnaam allemaal gekund heeft. Soms begrijp ik het zelf niet maar in die tijd ging alles vanzelf. Ik was zo  brutaal als de beul. Smokkelen is iets wat er bij je inzit of niet. Bij mij zat ’t erin. Ik kende de West Brabantse bossen als m’n broekzak, knalde in het stikdonker zonder licht met 90 kilometer per uur over de binnen weggetjes en ik had veel vrienden en onder belangrijke mensen, zoals grenspersoneel en ambtenaren. Die gooide ik plat met geld. Ik smeet er in die tijd mee. Er waren weken dat ik zestigduizend gulden aan lonen betaalde”.

Valkenburg 1937. Drie Nederlandse Kampioenen onder één dak. Hierboven links Johnny Braspennincx, zoon van de beroemde vader. Johnny werd Zaterdagmiddag alg. kampioen van Nederland maar vader, rechts, die ondanks zijn 49 jaar nog meereed bij de veteranen, won in deze klasse ‘ het kampioenschap. In het midden op de foto de renner Theuns, aangenomen zoon van de oude „Bras”, die bij de onafhankelijken kampioen werd.

“Het smokkelen was gewoon een  bedrijf geworden. Ik had thuis bijvoorbeeld een planbord met de vakantiedagen van m’n knechten. Voor mijn Personeel was ik goed. Ik betaalde correct en dat kon je tijd niet van iedere smokkelaar zeggen. Met geld heb ik een hoop bereikt, vooral bij de ambtenaren”. “De eerste die ik omkocht, betaalde zichzelf terug. Hij gaf me, dat was kort de oorlog, militaire papieren, een officiersuniform, een workticket en een plaat ‘Departement van Oorlog’ op m’n auto. Vooral met dat D.V.O-bordje had ik m’n investering rap terug, want ik kon overal gratis tanken. Mét met smokkelspul in m’n wagen. We reden toen veel tabak, daar was aardig aan te verdienen. Er ging steeds voor drie ton handel in, dat betekende dat ik er bij elke vracht zon anderhalve ton aan overhield. Ik haalde die tabak in België, vrachtbrief en lading klopten via het workticket, en de rest deden m’n contactmannen aan de grens. Ik seinde ze precies wanneer er ladingen kwamen en dat liep lang goed”. „Tips, daar draaide het om. Op die manier heb ik eens een trein, waarin een paar knechten van mij zaten die door de Duitsers gepakt waren, onderschept. Een gevangenbewaarder vertelde me alle details van het transport, ik maakte een enorm plan, ik versierde een Duits uniform, een auto met Duitse nummerplaten en op een onbewaakte overweg bij Amersfoort heb ik die trein opgehouden met een rode vlag. Een van m’n knechten wist te ontsnappen. De ander had het niet door, die was vrij stom, en bang”.

Tour de France 1937, Nederlandse ploeg aan de start — v.l.n.r: Toon van Schendel, Theofiel Middelkamp, Albert van Schendel, John Braspennincx, Gerrit van de Ruit en Piet van Nek in Parijs.

„We zijn samen eens zó beschoten, toen we op de fiets boter smokkelden, dat ‘ie van schrik vergat te trappen en alleen maar gilde. John, riep ‘ie, ze schieten ons dood. Houd m’n trui vast, zei ik, en rijen zo hard als ge kunt. De kogels floten rond onze koppen, de spaken zowat uit de wielen. Maar we kwamen veilig over. Ik was niet bang te krijgen. Ze hebben zeker twee- of driehonderd keer op me geschoten, maar ik ben er nooit van onder de indruk geraakt. Als ik op de fiets zat kon ik alles. Ik had met het wielrennen zon verschrikkelijke demarrage, dat als ik op m n pedalen ging staan, de douane geklopt was”. „Zo ben ik eens weg gespurt terwijl ze op me schoten, langs de kant van de weg in de bosje gedoken, van de overkant een dunne berkenboom naar me toe gehaald en toen de commiezen op mijn hoogte waren,  liet ik de stam los. Zo vlogen als raketten in ’t rond, die commiezen. Daar zat ik niet mee. Ik zat nergens mee. Zoals het uitkwam, pakte ik het aan”. „Ik ben eens bezig geweest met elastiek-smokkel op Frankrijk. Niet te geloven. Ik legde contacten via twee Amerikaanse militairen die een route hadden op Parijs die ik per rit vijf mille per man betaalde als ze een vracht meenamen. Er ging steeds twee ton mee naar een plaats in Parijs, waar ik ze opwachtte om die handel door te spelen naar Chinezen. Wat die er mee deden is me nog een raadsel, maar ze waren er zo gek op, dat ik miljoenen meters de grens over liet rijden. Het werd zo’n omvangrijke affaire, dat ik er een Engelse sergeant voor moest omkopen om me aan papieren te helpen die het risico verkleinden. Die man vroeg er tien mille per rit voor, die ik hem graag betaalde. Kun je nagaan hoe mijn verdiensten lagen”.

December 1970: dubbelportret van vader Jan (82) en zoon John (56) Braspennincx met hun racefiets

Zijn reputatie als „koning” verwierf John Braspennincx zich als smokkelaar met pantserwagens. Daar had de in smokkeluitrustingen toch inventieve grensstreek nog nooit van gehoord. Braspennincx: „Ik knalde er dwars de grens mee over. De slagbomen braken als lucifers. Drie had ik er gekocht, in de dump. Ze ploegden overal doorheen en dat ze veel lawaai maakten, deed me weinig, want als de gealarmeerde douane in actie kwam, kon ik ze hebben. Ze schoten voor niks. Met spijkers en kraaienpoten op de weg was ik ze zo kwijt. Ik reed tonnen tabak, boter en textiel de grens over”.

„Maar het is uit de hand gelopen toen veel andere smokkelaars ook pantsers namen. Het werd een troep en de douane gaf me overal de schuld van. Alleen: er viel niks te bewijzen. Maar het werd me te link, ik vroeg de anderen ermee op te houden en ze deden het allemaal op één na. Ik zei tegen ‘m: dan pak ik dat ding wel af. Eerst kocht ik z’n belangrijkste chauffeur om, toen twee Bredase politieagenten, die voor me moesten patrouilleren en de rest ging vanzelf: we zetten een val op, ze sloegen op de vlucht en ik reed zelf die pantser naar België, waar ik ‘m verkocht”. Zijn activiteiten met de pantserwagen-smokkel werden verraden, waarna John Braspennincx in de cel terecht kwam en veroordeeld omdat er gebeurde wat hij nooit voor mogelijk had gehouden: zijn knechten sloegen door. Braspennincx: „Dat is de grootste teleurstelling uit mijn smokkeltijd geweest ik had als held voor de balie willen staan, maar op die manier mislukte dat”.

Koning der smokkelaars, een heel bijzonder boek, een spannende roman ! Maar geen verzinsel. Geen roman die het resultaat is van de fantasie van de schrijver, zoals Graumans reeds ’n twintig maal èn met vele herdrukken schreef, doch deze keer een boek van keiharde feiten ! We hebben hier namelijk te doen, met de grootste smokkelaar, die ooit de grenspolitie van Nederland en van West-Europa tot radeloosheid heeft gebracht. Die ‘gewerkt’ heeft onder en tègen Duitse maar ook Amerikaanse en Engelse, Franse en Belgische, ja met Poolse soldaten en officieren. Die zich niet ontzien heeft op het laatst de grenzen te forceren met pantserwagens, daaruit te opereren met rookbommen en spijkerplanken en zich bloot te stellen aan een wilde drijfjacht van tientallen schietende, gemotoriseerde politie onderdelen, die echter allen vergeefs attaqueerden, met hun motoren, jeeps, stenguns en strijdwagens tegen de smokkelaar, de sportman John Braspennincx! Dat is het nu juist: tegen de sportman John Braspennincx, uit Princenhage (Nd.-Br.). En wat voor een sportcrack ! Een der geweldigste wielrenners van zijn tijd ! Het is de verdienste van de schrijver, hierop de nadruk te hebben gelegd, waardoor het psychologisch duidelijk wordt, hoe en waarom zo’n man in jaren van oorlog en chaos er toe komt te gaan smokkelen, niet alleen, maar ook, waarom een dergelijke sportreus dit deed op de wijze, waarop Braspennincx dat heeft gedaan. Er is van zulke belevenissen heel wat te vertellen. Maar het is tevens interessant en voor de historie niet onverdienstelijk, dat deze wilde ‘manier van zaken doen’ in de fel bewogen periode van de ‘veertiger jaren’, eens werd vastgelegd. De geboren verteller. Den Dré pseudoniem van Adrianus Antonius Lucien Graumans, volg de link

Toen John Braspennincx zijn straf had uitgezeten zocht hij nieuwe glorie in de wielrennerij, die hem al een grote naam had opgeleverd. Net als in de smokkelarij door verbluffende resultaten. Waartoe John Braspennincx als coureur nog in staat was, bleek in de voor hem zo grillige naoorlogse jaren, toen de smokkeldrukte het won van zijn wieleractiviteiten. Na gestopt te zijn met de pantserwagens ging hij, 98 kilo zwaar en ongetraind, de weddenschap aan om binnen drie weken twee wedstrijden te winnen. Het werden drie zeges in twee weken en een halve maand later zat hij in de gevangenis. Weer op vrije voeten (na acht maanden) hervatte hij de training en klopte zes weken later Gerrit Schulte in het omnium van Feyenoord. En wéér belandde hij niet veel later achter tralies en muren, nu wegens een aandeel in een goud-smokkel. Vanwege zijn aanraking met de justitie werd hem later een licentie geweigerd door de wielerbond en toen die uiteindelijk toch afkwam, woog Braspennincx 104 kilo hetgeen hem niet verhinderde via straffe training datzelfde seizoen nog zeven overwinningen te behalen. In 1952 maakte hij, na een overwinning in een dernywedstrijd in Dortmund, een einde aan zijn carrière. „veel te vroeg” zei hij.

klik en lees De Volkskrant 7 januari 1948

John Braspennincx overleed op 7 januari 2008 op 93 jarige leeftijd. Ondanks alle succes in sport en smokkelzaken was zijn materiële welstand, zoals hij zei, niet indrukwekkend. Hij woonde in een onopvallend rijtjeshuis in de grensplaats Zundert: „Ik kom niks te kort”, lichtte hij destijds toe „Ik ben ook niet schatrijk. Ik vraag me wel eens af waar al m’n geld gebleven is. Ik weet het niet. Als ik het zo eens bekijk, ben ik met smokkelen financieel eigenlijk niet zoveel opgeschoten. Maar dat kan me weinig schelen. Ik heb het goed zo. Ik ben tevreden. Als ik het allemaal over kon doen, deed ik het niet anders”.

Klik en lees het Vrije Volk van 9 januari 1948

Bronnen:
Limburgs Dagblad 24-12-1976 (Peter Heerkens)
https://nl.wikipedia.org/wiki/John_Braspennincx
https://sportgeschiedenis.nl/wielrennen/john-braspennincx-koning-der-smokkelaars-en-kermiskoersen

 

1948-08-22 Valkenburg, Wielerreuzen op de Cauberg

De wereldkampioenschappen wielrennen 21 en 22 augustus 1948

Brik Schotte, Kampioen der Kampioenen

Nooit tevoren heeft een sportgebeurtenis in Nederland zó veel toeschouwers getrokken als de strijd om het wereldkampioenschap wielrennen te Valkenburg op 22 Augustus. Naar schatting hadden zich 150.000 mensen langs de weg geschaard om de race van de beste beroepsrenners ter wereld te zien.
En inderdaad hebben de tienduizenden wielersport van hoog gehalte te zien gekregen. Het was een wedstrijd, waarin de renners met de meest complete kwaliteiten een kans hadden en van deze was het de stoere Belg Brik Schotte, die tenslotte de beste van allen bleek. Vlak achter hem kwam de Fransman Lazaridès, het fameuze klimmertje, dat eigenlijk alleen maar een behoorlijk eindschot te kort kwam om op het allerlaatste de evenknie van Schotte te zijn. Van onze landgenoten reed alleen de Limburger Sijen de wedstrijd uit, maar ook Schulte heeft prachtig kamp gegeven en het was jammer, dat hij niet lang voor het einde moest opgeven. Onze oud-wereldkampioen Middelkamp had, als zo vele anderen, met pech te kampen en werd daardoor uitgeschakeld.
De dag te voren was, onder veel geringere publieke belangstelling de wedstrijd voor amateurs gereden. In deze worsteling overtrof de Zweed Snell al zijn concurrenten. De Brabander van Est hield de eer van Nederland hoog door op de vierde plaats beslag te leggen.

De Vlaming Briek Schotte gevolgd door de fransman Apo Lazarides

Er zijn vele grapjes gemaakt over de Cauberg: Nederland had een berg ontdekt, waarbij de renners nauwelijks over de afstand van een kilometer moesten klimmen! En de hele klim bestond in een stijging van nog geen honderd meter. Nederland durfde renners als Bartali en Tesseire, Kubler en Kirchen uitnodigen om na hun prestaties op knapen van bergen, die tot boven de 2000 meter reikten elkaar het kampioenschap te betwisten op deze liliput onder de heuvels! Het was eenvoudig belachelijk.

En toch heeft de internationale jury de Cauberg betrokken in het kampioenschap op de weg. En deze Cauberg met zijn grimmig gebogen bochel heeft meedogenloos hard gevonnist over de kwaliteiten van de renners. Van de 37 man aan de start verschenen er nog 10 aan de finish. De rest van het illustere en reputatie-rijke gezelschap werd onverbiddelijk afgewezen door deze beul onder de rechters.

 

Hoe was de aankomst van Gino Bartali gevierd op die Vrijdag voor de grote slag! Gino zou tegen de Cauberg opvliegen, niet eenmaal, maar tien keren in dezelfde luchtige stijl. Hij zou het spelenderwijze 28 keren volbrengen en nog genoeg veerkracht in zijn tenen en benen overhouden om de Izoard te bestormen. Bartali was niet meer de man van tien jaren geleden, toen hij het ook probeerde, maar…. schandelijk werd geslagen door die mislukkeling onder de bergen. Een berg, waarvoor men zich in Italië zou schamen hem een berg te noemen! Maar…. 28 keren 1 km, telkens met een tussenpoos van 12 tot 13 minuten dat is heel wat anders dan in een ruk 28 km lang omhoog te tornen. Bartali kon 35 km achter elkaar klimmen maar hij kon toen en hij kon nu weer niet 28 keer dat ene kleine stukje onder zijn pedalen krijgen. Roemloos verdween de campionissimo ergens op het traject uit de rijen van de rivalen, samen met zijn vriend en vijand tevens, Fausto Coppi, die andere lieveling van het Italiaanse volk, dat met enkele honderden afgezanten te midden van een kleine berg dadelpitten aan de rand van het parcours was gezeten. Acht en twintig maal moest de klimmer in een geforceerd tempo naar boven zwoegen om vlak daarna in een riskant tempo naar beneden te snellen. Wie een goed klimmer is loopt de kans bij het afdalen zijn voorsprong te verliezen. Wie een gedurfde vaart neemt bij het afdalen staat vlak daarop weer voor het geheim van die kleine vinnige bergrug. En dat acht en twintig keren. Ook dit keer zouden er roemrijke namen sneuvelen, want Brik Schotte had gelijk: „Het is een teerlingskans”. Maar juist daarom was de race om de meest begeerde titel van een ongekend hevige spanning. En de kranten en sportrubrieken, zij zullen het voortaan wel uit hun krantenlijf laten om nog langer te spotten met de berg, die Nederland ontdekt meent te hebben.

Gino contra Fausto. Ach, wat zijn er legendes gevormd rond de tweestrijd tussen deze twee fenomenen uit de wielerwereld. De meest wilde geruchten deden opgeld, toen zij broederlijk bij elkaar op het „terrazzo” van hun uitpuilend restaurant zaten te wachten. Gino contra Fausto! Als zij elkaar in de wielen zouden varen, dan zullen de Fransen en de Nederlanders er van profiteren. Hoe kunnen die Italianen ook zo botweg dom zijn om twee rivalen te sturen. Fausto lacht eens met zijn ongemakkelijke grijns. En terwijl hij zijn hand terugtrekt uit een van de vele kisten zuidvruchten, verkondigt hij in een eerbiedwaardige rivier van woorden, dat Gino de grote favoriet is en de grote favoriet zal blijven. Ook voor hem. Want Gino van toen is niet te vergelijken met Gino van nu. En van onderlinge rivaliteit? Och, het is eigenlijk de strijd tussen de twee mérken Bianchi en Lagnano, die dóór Coppi en Bartali worden gereden. Neen, hij houdt het op Bartali!

Brik contra Apo. Dat had Joris van de Bergh toch maar fijntjes -voorspeld. Het is eigenlijk bar onvoorzichtig om van te voren namen te noemen bij zulk een riskante onderneming, waar de meest verrassende gebeurtenissen kunnen plaats grijpen. Maar Joris had het aangedurfd om daags te voren te wijzen op de kleine en vinnige Griekse Fransman met zijn schoonklinkende naam, Apo Lazarides. Ja, zei Joris, ik zou een naam willen noemen, die zelfs de Fransen niet op de eerste plaats durven zetten. „Indien dit kleine ventje wint en daarmee heel de wereld zou verrassen, dan zou het voor mij geen verrassing zijn. Overal elders zouden wij zeggen; Wat komt dat ventje hier doen? Hij kan geen 30 km klimmen. Maar hij sprint en springt en danst die klim van 1 km. En vlak daarop zet hij zijn tweede sprint in, en gaat zo door, als het moet vijftig keren achter elkaar!”

En Joris kreeg gelijk op die harde Zondagmiddag, toen Brik Schotte reeds alle renners aan zijn pedaal had gelapt. Toen hing dat kleine kereltje met vinnige rukken en zijn draaiende body onverslijtbaar aan ’t achterwiel van Brik, die zwoegde als een werkpaard uit de Kempen. En al de kracht van zijn pezig lijf moest de taaie Belg aanwenden om ook Apo de duimschroeven aan te zetten en zijn tengere nek te doen buigen voor hem, de man uit het klassieke land van de coureurs. Lambrichs was uitgeschakeld door derailleurpech, Gerrit Schulte had remdefect, Bartali en Coppi waren roemloos verdwenen. Middelkamp bestond niet meer, Sefke Janssen had last van krampen. Maar Apo Lazarides snelde nog in de allerlaatste ronde in zijn typisch dansende stijl naar boven. Enkele meters achter de ruige Brik. Maar Brik draaide in zulk een onbarmhartig hels tempo, dat Apo te uitgeput was om die enkele meters te winnen. En terwijl de Belgen losbarstten in een vreugdegehuil, zoals de Cauberg nog niet had beleefd (er waren naar schatting 75.000 supporters uit het Belgenland), wankelde Apo huilend van zijn fiets. Zijn tengere schouders werden nog weker en de kleine man scheen nog kleiner te worden.

Links boven: Afgemat, maar zielsgelukkig laat Schotte zich na afloop van de strijd fotograferen. Een mooie droom ging voor hem in vervulling. Links onder: Sjaak Sijen (midden) was de enige Nederlander, die bij de professionals de wedstrijd uitreed. Rechts Sjefke Janssen, die ook goed voldeed.Links Jan Lambrichs. Rechts boven: Een groepje van vijf vluchtelingen bestormt voor de zoveelste maal de Cauberg. Voorop Brik Schotte, de kampioen-in-wording. Rechts midden: Gerrit Schulte tijdens zijn zware strijd. Aan zijn gelaatsuitdrukking kan men zien welk een krachtsinspanning hij levert. Rechts onder: Met afgetekende voorsprong op zijn mededingers stuift de Zweed Snell als overwinnaar bij de amateurs over de eindstreep. 04-09-1948: Het Noorden in woord en beeld, 1948, no 23, 04-09-1948

Behalve de normale tegenvallers en de onvermijdelijke inzinkingen, waarmede reeds van te voren rekening gehouden moest worden, hebben de Nederlanders een grote tactische fout gemaakt, evenals verschillende buitenlandse grootheden. Kubler en Teisseire, Klabinky en Ockers, Kirchen en Impanis en vele anderen bleven, evenals de Nederlanders in de dichte nabijheid van de twee grote rivalen Bartali en Coppi. Want deze twee zouden op een gegeven moment het gevecht beginnen. En dan moesten de andere mee, of zij wilden of niet. Maar en nu kan men zeggen wat men wil de rivaliteit tussen deze twee begon hen parten te spelen. Fausto wilde niet trekken voor Bartali en Gino wilde niet voor Coppi. Te laat zagen de anderen in, dat zij hierdoor een achterstand kregen van verschillende minuten. Het was niet meer in te halen. De Nederlanders deden een hardnekkige poging om bij de leidende kopgroep te komen. Maar een lekke band, een defect aan de remmen, een kleine slipper over het wegdek en vele andere kleinigheden, die een renner anders met een glimlach accepteert, waren nu voldoende om het drama te voltrekken. Dat Bartali en Coppi na 20 ronden met ruim 8 minuten achterstand door het publiek werden uitgefloten, stemde de Italiaanse Wielerbond wel tot nadenken en beide coureurs werden hierop volgend geschorst voor de duur van 2 maanden, ingaande 1 september 1948. Deze schorsing werd een maand later op 2 oktober bij een bestuursvergadering van de Italiaanse bond, in verband met de sponsorbelangen, weer opgeheven.

BRON: Jong Limburg _ orgaan voor de arbeidende jeugd, jrg. 1, 1948, nummer 7, 9, 1948, Aflevering, volgnr. 21, Katholiek Documentatie Centrum, KDC Ta 286