1936-06-08 Piet Gommans

Piet Gommans vertelt…

‘De tijden zijn veranderd, maar één ding is gebleven. Je moet hard op de pedalen kunnen trappen. Anders tel je niet mee.”

Limburgs Dagblad 4 Maart 1984:

door Wiel Verheesen

Alsof hij maandag vijfentwintig in plaats van vijfenzeventig wordt. Het gesprek met Piet Gommans uit de Buttingstraat in Hoensbroek is net een wielerkoers. Demarreren, stilvallen, weer aanvallen. „Zie je het de hedendaagse profs al doen?”, vraagt hij. „Met fiets en rugzak naar Brussel, daar per nachttrein naar Toulouse en vervolgens starten in een vierdaagse etappekoers met Parijs als eindpunt?”

Van de wedstrijd om de Ned. kampioenschappen op den weg 1936 wist de amateur Piet Gommans uit Reuver als eerste de finish te bereiken, zodat hij niet alleen kamp. amateur, doch zelfs algemeen landskampioen werd over alle klassen. (Mooi Limburg 13-06-1936)

Piet Gommans hoeft niet eens een tandje hoger te schakelen om het antwoord op de vraag te geven. Hij schuift een paar velgen, een trapper en een schroevendraaier opzij, richting mini-werkbank in de hoek van de kamer, want een dag zonder sleutelen aan de fiets is voor hem een verloren dag. „Man”, zegt hij. „Ze lachen je uit als je het hebt over de wijze hoe wij vroeger naar de koers trokken, zeker als ze horen, dat je aan een expeditie als Toulouse-Parijs een paar tientjes hebt overgehouden. Ze stappen liever in het vliegtuig en ze logeren in de beste hotels. Renners van vandaag de dag zijn Verwend. Zij hebben geen armoede gekend.” Piet Gommans, die in de Ronde Van Blerick 1948 zijn profloopbaan afsloot met een schedelbasisfracuur als gevolg van een zware val, heeft praktisch zijn hele leven in de wielersport doorgebracht. Hij zou, als iemand bij aanklopte, meteen als raadgever van jonge renners willen optreden.

Piet Gommans begon zijn wielercarrière in 1934. In 1936 werd hij Algemeen Kampioen van Nederland op de weg als amateur. Daarbij versloeg hij Cees Pellenaars die eerste bij de profs werd (zie finishfoto).
De allerlaatste ronde die Piet Gommans gereden heeft, was de Oranje-ronde van Blerick (L)1948. Hij werd niet vermeld in de starterslijst maar ging toch echt van start. Thuis had hij al gezegd: ,,Dit wordt mijn laatste course, hier ga ik winnen!” Al snel was Gommans met drie man vooruit, er waren nog drie rondes te rijden en hij had op dat moment de meeste punten in het puntenklassement.
Hij was bezig met een prima ronde te rijden, toen het noodlot toesloeg. Gommans reed op dat moment dicht langs het publiek om minder wind te vangen. Een kind dook ineens uit het publiek voor hem de weg op, om een blaadje van "Het Thuisfront", dat men uitgooide, op te rapen. Gommans probeerde uit te wijken maar kwam ten val. De klap was zo hard dat hij aan de andere kant van de straat met zijn hoofd op de stoeprand terecht kwam.
In het ziekenhuis constateerde men dat Gommans o.a. een schedelbasis-fractuur opgelopen had. De arts stond versteld toen hij na drie dagen uit de coma bijkwam. Piet Gommans heeft het van te voren geweten: De Oranjeronde te Blerick 1948 was werkelijk zijn laatste course, het einde van zijn wielercarrière!
Piet Gommans kon na het beëindigen van zijn wielercarrière het wielerwereldje geen gedag zeggen en werd mecanicien van onze jongens. In 1949 ging hij als mecanicien al mee naar de Ronde van Zwitserland en uiteraard de Tour de France. De laatste ieder jaar tot en met 1957. Daarna heeft hij zelf de nodige begeleiding gegeven aan verschillende renners, zoals b.v. Jan Hugens.


Bericht uit Sportecho 5 april 1939: "Zoowel in de Nederlandsche, als in de Belgische pers - ook in ons blad - is gemeld dat de vorige week zondag Jan Gommers als 17e was aangekomen in den "Omloop van Luik". Wij worden er echter op gewezen, dat hier een vergissing in het spel moet zijn en dat niet Jan Gommers uit Dongen, maar PIETJE GOMMANS uit Reuver (L), die enkele jaren geleden het algemeen kampioenschap van Nederland op den weg veroverde, deze prestatie te Luik leverde. We nemen van een en ander gaarne nota en spreken tevens de hoop uit, dat de sympathieke Limburger dit jaar weer eens goed aan zijn trek moge komen. Piet Gommans is lang door het pechvogeltje achtervolgd geweest en brak verleden jaar nog een pols, zoodat nu ook voor hem de zon wel weer eens mag gaan schijnen!" einde citaat Hetty Gommans

Hij bruist nog van energie. De fiets en alles wat daarmee verband houdt boeit hem, ook al heeft hij zijn herinneringen niet in plakboeken bewaard. Aan de muur hangt slechts één foto, die duidelijk maakt, dat men bij een wielerfan op bezoek is. „De renner, die je daar ziet is Hein Gelissen uit Beek. Het is een beeld van het WK 1952 voor amateurs in Luxemburg, waar een andere Limburger, Piet van den Brekel, gediskwalificeerd werd. Hij had van fiets verwisseld op een plaats waar het niet toegestaan was. Moet je nagaan. Van den Brekel was precies gelijk met de Italiaan Ciancola in eerste stelling over de streep geflitst, maar in plaats van de regenboogtrui of minstens een plaats op het podium werd hij uit de uitslag geschrapt.” Vanmiddag, als het peloton in de Omloop Het Volk over de Vlaamse hellingen en kasseiwegen dendert, op jacht naar winst in de eerste belangrijke koers van het jaar, zit Piet Gommans aan de TV gekluisterd. Niets van hetgeen de camera in de huiskamer brengt zal hem ontgaan, maar alléén de beelden van het strijd verloop zijn voor deze gouwe ouwe niet eens genoeg. Hij heeft té lang in het vak gezeten om ook niet verder te kijken. „Ik wil zien hoe de slag in mekaar steekt. Wie flikt wie? Welke belangen worden gediend? Moet er nog een rekening uit het vorige seizoen vereffend worden? Allemaal vragen, die mij boeien.”

https://www.delpher.nl/nl/boeken/view?coll=boeken&identifier=MMKB06%3A000008466%3A00007
1937 De eerste Nederlandse prof-wielerploeg Magneet – OK Cycles Bovenste rij van links naar rechts: Albert Gijsen, Gerrit Schulte, Janus Hellemons, Reynen, Aad van Amsterdam, Theo Middelkamp, Stuyts, Jan Gommers, Cees Bronger, Saarloos en chef d’equipe C. Blekemolen Niet op de foto: Ernst Muller, Jan Pijnenburg en Gerrit van de Ruit Onderste rij van links naar rechts: Van Nek, Braspenninx jr., J. Heeren, Lemmers, P. Gommans, M. Heeren, Van Gageldonk, Theuns, Koppelmans

Hij is, de vroegere wegkampioen en mecanicien van Pellenaars’ Tour de France ploeg, op dezelfde dag jarig als Gerrie Knetemann. „De zesde maart. Het verschil zit ‘m overigens niet alleen in het bouwjaar”, aldus Gommans. „Zo link als De Kneet in de koers en ook daarbuiten is, zo gehaaid ben ik nooit geweest. Het verandert verder niks aan mijn opvatting over hem, dat hij een toprenner is geweest.” Iemand uit een gouden generatie waartoe ook Jan Raas, Joop Zoetemelk en Hennie Kuiper hebben behoord. „In een eerder stadium hadden wij eveneens van dergelijke toppers. Denk maar eens aan Jo de Roo, Peter Post en Jan Janssen, of nóg eerder aan Wim van Est, Jan Nolten, Wout Wagtmans, Theo Middelkamp en Gerrit Schulte. Begrijp me goed. Ik kan mij wel een^ opwinden als ik zie hoe perfect alles voor de hedendaagse renners geregeld is in tegenstelling tot vroeger, maar ik weet ook als geen ander hun prestaties te waarderen. Daar doen de commerciële belangen, waar ik het al over had, niets aan af.” Betere verzorging, uitgekiend materiaal, ploegensysteem en premiestelsel. De tijden veranderen. Oók in het cyclisme. „Het zijn”, zegt hij, „allemaal prima zaken, maar het komt er in eerste instantie toch op aan, datje zo hard mogelijk op de pedalen kunt duwen. Als je in de finale niet bij de eersten zit tel je niet mee. De vorstelijke bedragen gaan dan naar andere bankrekeningen.

Limburgs Dagblad 4 maart 1984 Klik en lees de krant

Piet Gommans (‘Limburger in hart en nieren’) vormt al een twee-eenheid met de wielersport sinds hij met de bagage sjouwde van renners, die op het vroegere baantje van Blerick aan de slag gingen. „Mijn ouders hadden vlakbij de baan een café. Amper een halfjaar -na mijn geboorte in Heer waren zij naar het noorden van de provincie verhuisd. In het café kwamen de : renners vaak hun gewonnen prijzen ophalen. Ik raakte helemaal in de ban van de sport. Nu nog ruik ik de massageolie op de benen van Richter en Moeskops, legendarische sprinters uit een lang vervlogen tijdperk. Mijn vader» vond het maar niks, dat ikzelf ook wilde koersen. Het plan liet mij niet los en toen wij naderhand naar Reuver verhuisd waren begon ik te sparen om een racefiets te kunnen kopen. Ik was negentien toen mijn droom in vervulling ging.

Nieuwe Venlosche courant 13 Juni 1936

Drie jaar later werd ik op dezelfde fiets kampioen van Nederland. Het was 8 juni 1936, de verjaardag van mijn vader.” De titel werd behaald in Hoogerheide. Het was een open kampioenschap. Profs, onafhankelijken en amateurs tegelijk aan de start. Ruim driehonderd man in totaal. Iedere categorie, inclusief de naderhand opgeheven klasse van onafhankelijken, kreeg wél een aparte kampioen. Piet Gommans was nog amateur. Kees Pellenaars, die op de tweede plaats beslag legde, veroverde de hoofdprijs bij de beroepsrenners. „De Pel probeerde mij voor zijn karretje te spannen. Wij maakten deel uit van een kopgroep, die uit een man of negen bestond. ‘Trek je de sprint voor mij aan?’, vroeg hij in de laatste ronde. ‘Ik zal je goed betalen. Bovendien word jij dan toch nog eerste van de amateurs. Ik gaf geen antwoord. Bekijk het maar, dacht ik. Een paar kilometer vóór het einde demarreerde ik. Toen ik omkeek zag ik, dat ik dat de kans er was om stand te houden.” Het lukte. Aan de streep had hij twee lengten over. Hoewel Pellenaars als profkampioen gehuldigd werd keek hij allesbehalve vriendelijk naar Gommans.

Uit het prachtige boek Heerlen Wielerstad door Wiel Verheesen: Over de wielerhistorie van een stad Ter gelegenheid van de Europese Kampioenschappen tijdrijden voor Beloften die in 2006 in Heerlen zijn gehouden heeft sportjournalist Wiel Verheesen de rijke wielerhistorie van Heerlen opgetekend. In een reeks verhalen komen niet alleen de wedstrijden en organisaties van recente datum aan de orde. Er wordt ook teruggegaan naar de eerste decennia na de oorlog en naar de periode die aan de Tweede Wereldoorlog voorafging. Wiel Verheesen schrijft over het Nederlands kampioenschap in 1929 met Joep Franssen, over mensen als Piet Gommans, Jan Hugens en Eddy Merkx, over de Ronde van Nederland in 1948, het kunstwielrijden op Heerlerheide, over de KKK-ronde en de Omloop van de Mijnstreek en uiteraard de Profronde: show en amusement, ook over de veldrit in Hellegat en de Amstel Gold Race. Kortom, een boek dat tekst en uitleg geeft over alle evenementen en persoonlijkheden die in Heerlen met wielrennen te maken hadden.

„Naderhand hebben wij het goed met mekaar kunnen vinden. Dacht je anders, dat ik in de jaren vijftig een aantal keren met hem als mecanicien naar de Tour de France was getrokken?

Limburgsch Dagblad 11 Augustus 1950:
Piet Gommans glundert bij het ophalen van oude herinneringen, waarbij figuren uit een voorbije periode van de vaderlandse wielergeschiedenis verschijnen als Janus Hellemons, Buuron, Hopstaken, v.d. Heijden, Valtentijn e.a., Je moet weten, dat ik al van mijn zesde jaar af met mijn vader naar het wielrennen ging kijken. Ik was zo trots als een aap, als ik het koffertje van een of ander grootheid mocht dragen en als je dan nog een kwartje kreeg voor dat karweitje was je dag helemaal goed". Van dat alsmaar rennen zien kreeg Piet Gommans zelf goesting erin en op 1 Aug. 1933 werd hij lid van wielerclub „De Valk" te Blerick en trad als actief renner op. Het duurde niet lang, voordat Piet Gommans op de voorgrond trad en toen hij in Juni 1936 — hij, de amateur die algemeen kampioen van Nederland werd, was hij een onzer sterkste troeven voor de Olympiade in Berlijn. Hij zou de Olympische Spelen niet beleven, aangezien hij tijdens de selectiewedstrijden ziek werd. „Ik was in die dagen een beetje overtraind en bovendien voelde ik mij niet goed. Tot op vandaag weet ik nog niet wat mij overkomen is", vertelt Piet Gommans verder, alsmaar namen en dat: uit zijn geheugen goochelend. Maar we ging hij datzelfde jaar met Gerrit Schulte, naar de wereldkampioenschappen op de weg in Zwitserland. Het fortuin was hen hier niet gunstig. In de 14e ronde kreeg hij een lekke band, en dat bezorgde hen een achterstand van 7 minuten Deze tegenslag is typisch voor de pech vogel Piet Gommans geweest. Pechvogel ja dat is hij inderdaad geweest. Geen greintje fortuin heeft Piet Gommans in zijn carrière ontmoet. In 1939 marcheerde hij, zoals de Vlamingen het plegen te noemen, terribel en in 1940 toen Piet Gommans op het punt stond grote beloften in te lossen ontketende nazi-Duitsland de tweede wereldoorlog in al zijn hevigheid, ieders en ook zijn illusies vernietigend. Tijdens de bezetting stond zijn fiets op zolder, maar niet zodra waaide de wind weer uit een gunstige hoek en nam het vaderlandse wielerleven zijn aanloop naar een normaal niveau of Piet Gommans hervatte zijn oude stiel, reed overal, waar hij maar kon en was ook in België een graag geziene coureur. Maar in 1948 maakte een ernstige val te Blerick aan zijn carrière 'n einde. Hij, die al negen maal zijn sleutelbeen brak, liep toen een schedelbasisfractuur op, zweefde enige maanden op de rand van de dood, maar tegen het einde van het jaar herstelden zijn krachten en in Jan. 1949 keerde hij in de huiselijke kring terug. Hij achtte het toen maar het beste om er een punt achter te zetten. Hij ging in de groothandel van zijn schoonvader, en zou een gezapig burger zijn geworden, ware het niet, dat de liefde voor de wielersport diep in zijn hart nog brandde en toen hij de uitnodiging kreeg om als mecanicien van de nationale ploeg in de Ronde van Nederland op te traden, greep hij de kans met beide handen aan....
Limburgs Dagblad 30 juli 1955: De groeten uit de Tour En hier is dan de beloofde kaart van Piet Gommans uit Hoensbroek van de Nederlandse Tour de Franceploeg met de hartelijke groeten aan alle sportvrienden en bekenden. De kaart is ondertekend door Wim van Est. Jan Nolten, Jef Hinsen, Wout Wagtmans, Daan de Groot, Hein van Breenen, Piet Gommans, Jos. Guerlache, Cees Joossen en Kees Pellenaars.

Onvergetelijk jaren. Weetje nog? Wim van Est als eerste Nederlander in de gele trui en vervolgens bij de afdaling van de Col d’Aubisque in het ravijn. Of Jan Nolten, die zich manifesteerde als een klimmer van wereldformaat en duelleerde met Coppi, Bartali, Geminiani en andere toppers. Nolten was een groot renner, maar te wisselvallig om uiteindelijk de grote slag, een ereplaats of nóg meer, in de Ronde van Frankrijk binnen te halen.” Wout Wagtmans is er dichter bij geweest, zowel in 1953 als 1956, maar ook hij redde het niet. Het is alsof Piet Gommans weer met het witte eskadron over Alpen en Pyreneeën trekt als hij terugdenkt aan de euforie van toen.

PIET GOMMANS UITVERKOREN VOOR DE MAGNEET-PLOEG. In navolging van enkele grootere rijwielfabrieken in het buitenland, heeft de Magneet-rijwielfabriek te Weesp het plan opgevat om nog dit jaar een eigen ploeg samen te stellen, die zal uitkomen op diverse grootere internationale wegcoursen. Reeds heeft bovengenoemde fabriek een keuze gedaan uit de voornaamste en beste wegcoureurs van Nederland, ten einde dit plan zoo goed mogelijk te doen slagen. Tot een dezer uitverkorenen behoort onze algemeen kampioen op den weg, Piet Gommans, die, met nog enkele renners van super klasse, in de komende wedstrijden de Magneet-kleuren zal verdedigen. Gemeld zij nog, dat dit de eerste Nederlandsche fabrieksploeg zal zijn. (Mooi Limburg 10-04-1937)

„Ik weet nog, dat wij tijdens de Tour 1953 een rustdag hadden in Monte Carlo. De ploeg was uitgenodigd door een Nederlander, die aan de Rivièra een hotel had. Iedereen ging mee, behalve Wagtmans. ‘Ik concentreer mij op de etappe van morgen’, zei hij. ‘Die win je toch niet voegde Gerrit Voorting er aan toe, want Gino Bartali is jarig. Reken maar, dat hij zal toeslaan. Hoe de verjaardag van Bartali verder is verlopen doet verder niet ter zake, wél dat hij in Gap als tweede over de finish reed, enkele seconden na … Wagtmans.” Het nationaal kampioenschap, dat Piet Gommans in 1936 veroverde leverde hem een afvaardiging naar de wereldkampioenschappen op. De titelstrijd werd in Zwitserland verreden. „Ons land had een volledige profploeg afgevaardigd, maar bij de amateurs waren wij met slechts twee man present. Gerrit Schulte en ik. Geen van de twee bereikte de finish.”

Piet Gommans (foto wielersite.net)

„Weet je wat ik mij van de trip ook al tijd herinner? Arie van Vliet werd op de Oerlikonbaan in Zürich wereldkampioen sprint. De volgende dag zijn wij met heel stel naar Küssnacht getrokken. Daar werd een herdenkingsbijeenkomst gehouden op de plaats waar precies een jaar eerder de Belgische koningin Astrid bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen.”

De Waarheid 25 Augustus 1951

Als Piet Gommans, die jarenlang in Hoensbroek een rijwielzaak had, over zijn eerste WK vertelt en daarbij de naam van zijn toenmalige ploegmakker Gerrit Schulte laat vallen, voegt hij er onmiddellijk aan toe hoeveel bewondering hij altijd voor deze wielerreus heeft gehad. „Schulte was uniek. Een vechter van nature. Hij had geen doping nodig. Zijn karakter was al een enorme stimulans. Op een gegeven moment, het was in Olympia’s Tour door Nederland voor amateurs op het einde van de jaren vijftig, zei hij tegen mij: ‘Piet, nu heb ik mijn betere ik ontdekt. Ik wist meteen wat en wie hij bedoelde. Schulte was in de ban van mijn plaatsgenoot Jan Hugens, die toen nog aan het begin stond van zijn loopbaan.” Hugens verwierf als piepjong amateur reeds faam als tijdrijder. Hij schitterde in alle grote koersen en het was logisch, dat men hem een geweldige carrière als prof voorspelde.

GOMMANS WEER ONAFHANKELIJKE Men zal zich herinneren hoe 3e Limburgsche amateur-renner Piet Gommans eind 1936 te Hoogerheide algemeen kampioen van Nederland werd. Hij is daarop naar de klasse der beroepsrenners overgegaan, reed hier bijwijlen uitstekend, doch had dan weer £ Gommans heeft nu voor dit seizoen besloten het als onafhankelijke te probeeren omdat hij dan aan meer wedstrijden kan deelnemen. Bovendien hoopt hij bij deze categorie het perioden dat het heelemaal niet ging. zelfvertrouwen te herwinnen dat hem terug den renner zal doen zijn die in 1936 te Hoogerheide 300 concurrenten uit het wiel reed.

„Hij heeft”, zegt Piet Gommans, „schitterende dingen laten zien, maar hij werd niet de internationale topper, die hij had kunnen worden. Wijlen de fameuze Jacques Anquetil, uurrecordhouder en vijfvoudig winnaar van de Tour, kocht hem weg. Anquetil sloeg twee vliegen in een klap. Hij had een ijzersterke helper aan zijn zijde en tegelijk een concurrent minder. Man, als ik in gedachten Jan Hugens weer zie rijden, dan denk ik: hij had de grote klasse.”

Op zekere dag stond Piet Gommans voor de keuze, of in de handel van zijn schoonvader gaan of in het vak stappen, dat zijn hart had. Piet Gommans koos het laatste en zo kan men hem sedert een maand of drie in een rijwielzaak aan de Amstenraderweg te Hoensbroek vinden, waar hij voor zich en. de zijnen een goed stuk brood verdient. Zijn halve familie van vaders kant zit in de metaalindustrie en waar Piet Gommans van huis uit niet alleen machinebankwerker is, maar bovendien in zijn beste jaren een coureur van erkende kwaliteit en klasse was lag het voor de hand, dat hij het laatste koos, waarvoor hij enige papieren en diploma’s in de wacht moest slepen, zonder welke hij een eigen zaak niet kon beginnen, al viel aan zijn vakmanschap niet te twijfelen. He: bloed kruipt nu eenmaal waai het niet gaan kan en zo loopt Piet Gommans met grote en kleine sleutels in zijn werkplaats rond, repareert en verkoopt fietsen en tussen zijn dagelijkse beslommeringen door treedt hij op geregelde tijden als mecanicien van de Ned. Tour de France-ploeg op. Dezer dagen nog pakte hij zijn koffers met allerhande materiaal, aangezien de N.W.U. zijn diensten weer van node had voor de Ned. ploeg in de wereldkampioenschappen te Luik en Moorslede. Piet Gommans is als het ware met de wielersport vergroeid en er is maar weinig voor nodig om hem aan het praten te krijgen over zijn overigens niet erg fortuinlijke carrière — hij brak negen maal zijn sleutelbeen en zijn laatste val in Blerick bracht hem aan de rand van het graf— en hij overrompelt zijn bezoeker met jaartallen en data, dat zijn vulpen over het papier van zijn blocnote schiet om hem op de voet te kunnen volgen. Klik op de krant en lees verder..

1924-06-30 Omer Huyse

“Ik kwam terug en kon direct een huis kopen”

Ik keerde terug van de Tour 1926 en ik had meer dan genoeg geld om direct een schoon huis te kopen. Om maar te zeggen dat destijds toch ook nog het een en ander te verdienen was in de Tour de France. Dat was trouwens de enige koers waar zulk een hoog prijzenbedrag ter beschikking werd gesteld. In de klassiekers was het zo vet niet.
Maar kijk, ik zal hier maar de cijfers geven, dan men zich daar best van al een gedacht van maken. Ik verdiende toen 28.000 frank en een naarstige werkman zwoegde dan voor 50 frank per week. Zo ziet ge maar…”

Omer Huyse vastgelegd op de gevoelige plaat na de finish van de Tour de France van 1925, Parc des Princes te Parijs op 2 augustus ’25
Omer Huyse (geb. 22 augustus 1898 in Kortrijk, gest. 2 maart 1985 in Luingne). Professional van 1924 tot 1930

Omer won een memorabele etappe van de Tour de France. De 5de etappe van de Tour de France 1924, Les Sables-d'Olonne - Bayonne die hij won, is de langste etappe in de geschiedenis van de Tour, 482 km of 486 km (volgens bronnen). De renners vertrokken op 29 juni rond 22.00 uur vanuit Les Sables d'Olonne en eindigden de volgende dag om 18.30 uur in Bayonne, de officiële tijd voor deze etappe: 19.40 uur

Omer Huyse, geboren Kortrijkzaan in 1898 zit rustig als een maraboe wanneer hij verteld over zijn rennersloopbaan.. Hij ziet er echt nog vivant uit. Een potje bier smaakt hem best en zet hem aan nog smaakvoller verhalen op te dissen. Ook was hij een trouwe ploegmaat van Lucien Buysse in 1926. Voordien had hij al aan de Tour deelgenomen in 1924 en 1925. Hij won in 1924 bij de categorie der “onverzorgden”, de “isolé’s”. In de ronde bereikte hij een absolute plek door de langste rit uit de ganse geschiedenis te winnen, met name etappe van Sables d’Ollonne naar Bayonne, 485 km lang.

Finish van Omer Huyse in de langste etappe ooit in de Tour de France. We schrijven 1924, de 5e etappe, Sables d’Ollonne naar Bayonne, 485km !!
Le Miroir des Sports No 209, 2 Juillet 1924
Tour de France 1924, étape 5, Les Sables d’Olonne – Bayonne, 30 juin 1924, 482km …..
La plus longue étape jamais parcourue sur la Grande Boucle !!!
The longest stage ever in the Tour de France history: 482km !!!
La course:
The fifth stage of the 1924 Tour de France, the second Monday of the Tour, saw the peloton riding a mammoth 482 kilometres from Les Sables d’Olonne to Bayonne, more than nineteen hours in the saddle.
L’étape est revenue à le Belge Omer Huyse (1898-1985) qui, à 24,508 km/h de moyenne, a relégué ses 15 poursuivants à 1’11’’.
Omer Huyse (Lapize) slipped away from the peloton, taking the stage with an advantage of 1’11” over the group behind, which was led home by Bottecchia. Beeckman, who had started the day second overall, slipped down the rankings.
Les coureurs quittent Les Sables d’Olonne à 22 heures pour 482 km de route. A 02h39, les voilà à La Rochelle, à 05h37’ à Saintes, à 8h34 (avec 1 heure de retard) à Blaye, à 10h26 à Bordeaux où Barthélémy conduit un effectif de 70 unités.
La course, monotone, ne se décante que dans les 50 derniers kilomètres. Sans doute est-ce à partir de ce moment que Théophile Beeckman (leader du général à égalité avec Bottecchia) a subi quelques avaries puisque le Belge a terminé 23ème de l’étape à 7’17’’ du vainqueur.
Hector Tiberghien (Peugeot) and Giovanni Brunero were now in second, tied on time. For the Legnano rider, Brunero, this was a bonus, he having been one of the riders to miss the Giro earlier in the year, either in the dispute over appearance fees or to save himself for the Tour, choose for yourself whichever you think the more likely. A good ride in France would more than make up for shunning his home Tour.
Bien difficile de connaître la raison de cette perte de temps. Peut-être faut-il remettre en cause le professionnalisme des journalistes de l’époque ? Si l’on en croit André Reuze du « Miroir des Sports »,
« dans certaines voitures de la caravane – j’en connais au moins trois – on peut voir, durant chaque étape, entre 14 et 16 heures, et même souvent le matin, plusieurs suiveurs qui dorment.
Pour se préserver du soleil et de la poussière, deux d’entre eux se recouvrent le visage d’un mouchoir, et leurs têtes dodelinent comme s’ils étaient morts. (…)
Plusieurs de ces ronfleurs convaincus sont des envoyés spéciaux, représentant des journaux français et étrangers. Le soir, en arrivant, ils se précipitent au télégraphe, pour envoyer un compte-rendu détaillé des incidents de la course. Et tant que leurs chauffeurs ne les imiteront pas, tout ira bien. »
Omer Huyse (9ème à Paris) remportera le classement final des coureurs de 2ème catégorie.
Classement de l’étape:
1 Omer Huyse (Bel) en 19h40’
2 Ottavio Bottecchia (Ita) à 1’11’’
3 Giovanni Brunero (Ita)
4 Romain Bellenger (Fra)
5 Lucien Rich (Fra)
6 Arsène Alancourt (Fra)
7 Bartolomeo Aimo (Ita)
8 Louis Mottiat (Bel)
9 Hector Tiberghien (Bel)
10 Gaston Degy (Fra) t.m.t.
Classement général:
1 Ottavio Bottecchia (Ita) en 81h29’11’
2 Léon Scieur (Bel) en 81h32’11’’
3 Giovanni Brunero (Ita)
4 Hector Tiberghien (Bel) t.m.t.
5 Romain Bellenger (Fra) en 81h32’26’’
6 Nicolas Frantz (Lux) en 81h32’52’’
7 Marcel Huot (Fra) en 81h33’15’’
8 Théophile Beeckman (Bel) en 81h35’17’’
9 Lucien Buysse (Bel) en 81h37’34’’
10 Félix Sellier (Bel) en 81h39’8’’

“Als jong manneke werkte ik met veel vrienden van mij in de wolfabrieken te Tourcoing. We reden toen naar huis met de velo, altijd om het eerst. Ik was bijna steeds de vlugste, zodat mijn maats mij aanspoorden om te gaan koersen. Zekere dag was het feest in Frankrijk en moesten we dus niet werken. Mijn vrienden spoorden me aan om te gaan koersen in Herseaux. Maar ja dat was makkelijker gezegd; ik had geen renfiets en geen wedstrijdkledij. Daar werd echter gauw een mouw aangepast. Men sneed een lange blauwe werkbroek de pijpen af en ik kon vertrekken op een gewone burgerfiets. Ik eindigde toen achtste. De Zondag daarop startte ik te Lauwe en won. Van een velomaker uit de buurt kreeg ik mijn eerste koersmachine en meteen was ik gelanceerd, zo zegt Huyse.
Hoe het er in die tijd zoal aan toe ging wordt duidelijk gesteld door volgende anekdote: Huyse kwam zeker jaar één dag te vroeg thuis van de Tour. In het holst van de nacht klopte hij aan zijn eigen deur aan. Zijn vrouw Martha opende boven het slaapkamervenster en hoorde Omer beneden zeggen: “schrik niet, ’t is-tekik, Omer…”. Waarop vrouwe Huyse laconiek antwoordde: “Dat kan niet, want ge zijt een dag te vroeg”.

Tour de France Joseph Van Dam à l’arrivée avec Omer Huyse : [photographie de presse] / Agence Meurisse – 1926
Net als Lucien Buysse reed Omer in de naoorlogse jaren voor het Franse merk Automoto, dat in 1926 een punt plaatste achter de extrasportieve activiteiten. Verscheidene Vlaamse renners kwamen aldus op straat te staan, met alle gevolgen vandien: “een ramp was dat echt niet, want wij waren toen al grotendeels binnengespeeld. Ik heb toen een boerderijtje gekocht waar ik kippen kweekte. Mijn vrouw was daar nochtans niet te straf voor te vinden. Ik heb de zaak dan maar overgelaten en we begonnen toen een café in Risquons-Tout. Enfin, we waren niet zo moeilijk als de renners van vandaag. We waren altijd content, hé.
En als ge een beetje uitslagen maakte, kwam alles vanzelf.

Tour de France cycliste : Bottecchia, Omer Huyse, Van Dam et Aimé Dossche à l’arrivée  : [photographie de presse] / Agence Meurisse
Toen ik in die tijd de Tour de France meereed, moesten de meeste renners de hotelkosten zelf betalen. Maar als ge er in slaagde een rit te winnen, dan stonden de hoteliers te wachten om de vedette van de dag in hun zaak te krijgen, waar hij dan alles kosteloos kreeg. Alleen moest de renner dan ’s avonds een toerke maken in het café, kwestie van klanten tevreden stellen. Voor mij niet gelaten hoor, want voor gratis eten en drinken en slapen wou ik dat wel doen…
En over eten en drinken gesproken. Wat speelden de Flandriens van toen zoal binnen? “Ha-ja, dat is niet moeilijk hé. We hadden vier eetzakjes per rit; daar zat een beetje van alles in. Vooral belegde broodjes, een paar kippenbilletjes, suiker en nog wat fruit. Als drinken had ik altijd graag bier, blond of zwart, dat was me om het even, als het maar bier was.
Of ik daar geen slappe benen van kreeg? Helemaal niet. Kijk, ik had bij mijn eerste Tour nog nooit een col gezien en toch kwam ik als eerste boven op de Aubisque. En ik had toen ook al een paar flesjes bier soldaat gemaakt. Wij maakten daar echt zoveel apel niet rond in de tijd…. Ik zeg het nog eens, we waren altijd content hé. En hoe lastiger het was, hoe liever ik het had.

Parc des Princes [vélodrome], 20/7/24, arrivée du Tour de France, le coureur cycliste Omer Huyse : [photographie de presse] / [Agence Rol]
Omer Huyse, Tour de France, au Parc des Princes, le 27 juillet 1924 : [photographie de presse] / [Agence Rol]
Omer Huyse kraait nog van plezier als hij over dat Spaans kamermeisje vertelt: “Ha-ha-ha, dat was nog een stoot zie. We zaten eens voor een koers in Spanje. We konden geen Spaans spreken en de mensen daar verstonden natuurlijk geen Vlaams. Ik had graag een paar eieren gehad voor mijn ontbijt. Maar om dat aan het kamermeisje wijs te maken, was een andere historie. Toen het met woorden niet hielp, ging ik op mijn hurken zitten, hield een hand onder mijn achterste en riep alsmaar kotkot-kot-kedei. Wat dat meisje daarvan gedacht heeft weet ik niet, maar feit is dat ze als de bliksem verdween en we hebben ze nooit meer teruggezien. Een garçon is ons toen maar komen bedienen…

o1-o7-1925, col d’Aubisque, Tour de France, Huyse [devant] Benoit : [photographie de presse] / [Agence Rol] – 1925
Een ander frappante geschiedenis uit de herinneringen van Omer Huyse is deze van de auto van de Tour-verslaggever Karel van Wijnendaele: We reden een lange col op en toen we bijna boven waren zagen we Karel en een paar van zijn collega’s aan de kant van weg staan, naast de auto die niet verder kon. Karel vroeg ons hem een beetje te duwen. Dat hebben we dan maar gedaan. Maar eens boven begon het vehikel geweldig te roken en even later stond het wagentje in brand. Blussen hebben we niet gedaan, want we moesten ook een beetje aan de koers denken ook, hé…

Legendarische etappe Bayonne Luchon van 1926, de zwaarste Tourrit ooit verreden : hier Lucien Buysse et Omer Huyse samen op kop bij de beklimming van de col d’Aubisque : [photographie de presse] / Agence Meurisse – 1926
En zo gaat de tijdgenoot van Lucien Buysse maar door. Met verhalen en souvenirs, waarmee een ganse krant gevuld zou kunnen worden. Och mensen, er gebeurde toen veel meer dan nu, in de huidige ronden zit men te chicaneren om seconden, in onze tijd was dat om uren…

Feest na de thuiskomst van de Tour de France, Omer Huyse in een open rijtuig door de gemeente in het zonnetje gezet.  Foto: archief Gratienne Huyse

Door Stefan van Laere, Het Volk Sport extra editie, 30 juni 1976

De buste ter ere van Omer Huyse in Moeskroen
2014_07_09 A Mouscron le Bourgmestre Alfred Gadenne a inauguré une stèle à l’effigie de Omer Huyse « 1898-1985 », coureur Luingnois, qui avait gagné la plus longue étape du Tour de France en 1924 « Les Sables d’Olonne –Bayonne.

https://fr.wikipedia.org/wiki/Omer_Huyse

1927-06-15 Ottavio Bottecchia

Botescià

“Zal hij het halen, dokter?”

“Hij heeft een hoofd als een gespleten watermeloen, Maresciallo, maar hij leeft nog. Eerlijk gezegd vraag ik me af waarom hij het loodje nog niet heeft gelegd ”

“Dat hebben we ons ook afgevraagd toen we het zo vonden, in een plas bloed, op de provinciale weg naar Gemona”

Professor Viganò deed zijn bril af en maakte deze schoon: “is hij aangereden door een auto?”

“Nee. Er zijn geen sporen op de weg, maar vooral: zijn fiets was helemaal intact, vreemd ”

“Maar heeft iemand gezien wat er gebeurde? Heb je onderzoek gedaan? ”

“Niemand zag iets. Er was ook niemand ter plaatste ten tijde van het ongeluk. Het is een mysterie. Het is niet duidelijk of hij gevallen is, zijn fiets is onbeschadigd. Er is slechts één andere optie … ”

“Wat is die dan?”

“Laten we het vergeten, dokter. ”

Ottavio Bottechia (1925)

Het hoofd  van de Carabinieri “ Maresciallo Rinaldi” begroette professor Viganò, de hoofdarts van de afdeling chirurgie van het ziekenhuis in Gemona, en ging naar de uitgang. Deze was beslist niet opgewekt.

door Antonio Fiore

Ottavio Bottecchia was een bekend personage, en niet alleen in Italië: een professionele wielrenner die de laatste twee Tour de France’s  wist te winnen is zeker niet de eerste de beste. “Botescià”  zoals hij in Frankrijk genoemd werd, had  in ’24 en in ’25 met gemak de Tour gewonnen van de beste renners van zijn tijd gewonnen, met inbegrip van onder andere de gebroeders  Péllissier.

Ottavio Bottecchia werd geboren als het achtste kind van een arm gezin met negen kinderen. Hij ging slechts een jaar naar school en werkte eerst als schoenmaker en daarna als metselaar. Zijn vader verliet het gezin om te werken in Duitsland. Bottecchia trouwde later en kreeg drie kinderen.

Ondanks dat hij een overtuigde socialist was met antifascistische overtuigingen, sloot Bottecchia zich aan bij het Bersaglieri-korps van het Italiaanse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Vier jaar lang stuurde hij met een speciale vouwfiets boodschappen en benodigdheden aan het Oostenrijkse front. Tijdens het conflict nam hij malaria op en moest hij ook verschillende keren ontwijken. Bottecchia heeft op 3 november 1917 na de slag bij Caporetto een gasaanval doorstaan ​​en tegelijkertijd dekking geboden voor terugtrekkende troepen. Bij Sequals werd hij gevangen genomen, maar ontsnapte terwijl hij 's nachts in gevangenschap werd gemarcheerd. Nadat hij teruggekeerd was naar Italiaanse linies, voerde hij tweemaal verkenningsvluchten uit in door Oostenrijk geleide gebieden, die inmiddels zijn thuisregio Colle Umberto omvatte. Bottecchia kreeg later een bronzen medaille voor moed

Na het einde van de vijandelijkheden verhuisde Bottecchia in 1919 naar Frankrijk om te werken als metselaar, wat later leidde tot insinuaties dat hij geen Italiaan was  hetgeen nog aangezwengeld werd door zijn sterke regionale accent. Bottecchia's familie bleef worstelen met armoede, en zijn jongste dochter stierf in 1921 op zevenjarige leeftijd.

Bottecchia keerde terug naar Italië, waar hij competitief wielrennen begon. Hij won de Giro del Piave, de Coppa della Vittoria en de Duca D'Aosta in 1920 en de Coppe Gallo een Osimo, het Circuito del Piave en de Giro del Friuli in 1921.

1923
De sportieve carrière van Bottecchia startte na de oorlog, toen hij begon met profwielrennen. Zijn eerste succes boekte hij in 1923 in de Ronde van Italië, waarin hij vijfde werd. Deze prestatie leverde hem een contract op bij het gerenommeerde Franse rijwielmerk Automoto, dat ook de Fransman Henri Pélissier en diens broer Charles in dienst had. In hetzelfde jaar won hij een rit in de Tour de France en werd hij achter Henri Pélissier tweede in het eindklassement.

1924, samen met Omer Huysse, in 1924 winnaar van de langste Touretappe

Dit verhaal is echter niet overtuigend, helemaal niet, met een dergelijke bekend persoon in de hoofdrol, dat zal vast en zeker een nationale kwestie worden, precies dat wilde Rinaldi nou net als de pest mijden.

Het was een onaangenaam idee dat dit nieuws de interesse zou wekken van een bepaald iemand in Rome en vervolgens een aanmatigend telefoontje te ontvangen van de hoge priester met zwarte muts en zwart hemd die op zoek zal zijn naar zondebokken, het was zaak om geen aandacht te trekken van bepaalde personen.

Bepaalde informatie, echter, had hij al verzameld om niet te worden overrompeld. Het was namelijk bekend dat Ottavio Bottecchia en zijn broer Giovanni, in het recente verleden enige sympathie toonden voor socialistische ideeën, voor de anarchisten: de kampioen was bepaald niet het type personage dat het meest geliefd was in Rome, althans niet in 1927.

Misschien vond Rinaldi om deze reden Bottecchia wel sympathiek.

Ten eerste was hij een held van de Grote Oorlog en in die oorlog had “il Maresciallo” ook gevochten, hij had zelfs een broer in die oorlog verloren.

In de oorlogsverhalen over Bottecchia, beschreven hem toen als een buitengewoon moedig persoon.

Op de fiets moest Ottavio voor de Bersagliere (Piëmontees garderegiment ) ’s nachts een dertig ponds zwaar machinegeweer naar het front brengen. Hij werd verrast door de Oostenrijkers die hem staande wilden houden. Bottecchia echter wist van geen wijken, trapte nog eens harder op de pedalen terwijl de vijand het vuur opende. Hij wist het machinegeweer net op tijd af te leveren bij zijn eenheid, die hiermee de aanval van de Oostenrijkers wist af te slaan. Bottecchia wist met zijn actie het leven van honderden te redden. Bij een andere gelegenheid werd gezegd dat Bottecchia zelfs zijn gestolen fiets had teruggevonden in een Oostenrijkse loopgraaf en ze voor vuile honden had uitgescholden. Rinaldi had wat twijfels over de betrouwbaarheid van dit verhaal, maar in feite, op de weinige keren dat hij Ottavio ​​te ontmoette, had hij het gevoel dat met deze man iets vreemds had, was hij misschien een beetje gek?

Hij dacht aan het voorkomen van “Botescià” Hij was erg dun, en had twee grote ogen als kastanjes, in een driehoekig gezicht, een arendsneus die leek op de bek van een uil en een voorhoofd doorploegd met diepe rimpels.  Men kan zeggen dat hij het gezicht van een boer had, van een persoon die een verleden had van honger en ontbering en die vermoeidheid op zijn gezicht droeg.

” Maresciallo Rinaldi?”

Het hoofd  van de Carabinieri werd terug naar de realiteit gebracht door de stem van de gezette Grosso. Er is een journalist, een zekere Borrella, die graag met u wil praten ”

‘En wat heb je hem verteld, Grosso? Denk je dat je met een journalist wilt praten? Nu? ”

“Nou, ik weet niet, Maresciallo”

Rinaldi zuchtte diep, richtte zijn blik naar de hemel en antwoordde: ‘Waar is die Borrella?’

“In de kazerne, mijnheer. Hij wacht daar al een uur ”

Tien minuten later zat Rinaldi achter zijn bureau, voor hem stond een klein mannetje met een snor, wiens eenvoudige gezichtsuitdrukking hem meteen al irriteerde.

“Mijnheer Borrella, het spijt me dat u uit Bologna kwam voor niks”

Borrella glimlachte en ontdekte een gouden snijtand: ‘Nee, Maresciallo. Ik weet zeker dat mijn reis nuttig zal blijken ”

“Ik zie niet in hoe. Er is hier geen nieuws in Gemona. Dit is een rustige plek”

“Denk u dat er in de plaats, waar een einde kwam aan het  leven van een groot kampioen als Ottavio Bottecchia,  geen nieuws zou zijn?”

Rinaldi zweeg: in feite had de man gelijk, hij leek al op de hoogte te zijn.

1924
In 1924 startte hij, vanwege zijn klimmerstalenten, als een van de favorieten in de Tour de France. Hij won de eerste etappe en daarmee de gele trui die hij gedurende het verdere verloop van de Ronde niet meer zou afstaan. Mede dankzij vier ritoverwinningen werd hij de eerste Italiaan die de Tour won.
1924
Ook in 1925 won hij de Ronde, weer met vier ritoverwinningen. Zijn dominantie was niet zo groot als het jaar ervoor. Zo moest hij enkele dagen de gele trui laten aan de Belg Adelin Benoît. Toch was zijn voorsprong op de nummer 2 in het eindklassement 54' 20", terwijl die in 1924 ‘slechts’ 35' 36" bedroeg.
1926
Het jaar daarop moest Bottecchia ziek opgeven tijdens de bergetappe van Bayonne naar Luchon, die in een onweersbui gereden werd. Hij stond op dat moment 8e in het algemeen klassement.

Pas in 1938 zou Italië weer een Tourwinnaar hebben in de persoon van Gino Bartali.

Borrella vervolgde: “Over de hele wereld word er over gesproken, en in Frankrijk neemt het nieuws de voorpagina’s van de kranten in beslag. ‘Botescià’ is een beroemdheid in Parijs, en het feit dat hij hier in het ziekenhuis met zijn hoofd half open ligt, geloof me, is dynamiet “- de journalist haalde diep adem -” Boven alles nog, omdat men niet weet hoe het is met zijn… ehm…  blessure ”

L’Intransigeant 5 juni 1927

Rinaldi staarde in de ogen van zijn gesprekspartner en vervolgt op de verbale toon: “Laatst,  op 3 juni 1927 had Bottecchia Ottavio een plotselinge ziekte, van onbekende oorzaak, viel tijdens zijn dagelijkse training ’s ochtends van zijn fiets, bij Peonis, Trasaghis – niet ver van hier -. Hij viel met zijn hooft op de grond, resulterend in een schedelfractuur waarvoor hij in Gemona in het ziekenhuis werd opgenomen, hij ligt thans in coma ”

“Informatie die ik al ken, mijnheer  de maresciallo, dank u. Kunt u me nog meer er over vertellen? ‘

“Nee”

“Dan zal ik u zeggen wat ik zelf vernam: ik sprak met een van de boeren die Bottecchia halfhartig op straat vond. Hoe kwam het dat zijn fiets intact was en dat er geen tekenen waren op de grond van een val, geen remspoor van een val? ”

“Alles moet nog worden beoordeeld en geëvalueerd”

“Weet u tenminste wat er afgelopen maart is gebeurd? Iets meer dan twee maanden geleden? ”

“Nee, wat is er dan gebeurd? ” antwoordde Rinaldi en sloot zijn ogen een beetje: hij wist al waar die Borrella heen wilde.

“De broer van Ottavio, Giovanni, werd tijdens een training op zijn fiets door een auto geraakt en hij stierf terplekke: is het toeval?”

“Wilt u mijn oprechte mening? Ja, het lijkt mij een betreurenswaardig toevalligheid ”

1926

Borrella leunde op het bureau, van het hoofd van politie en vroeg: ‘Vind u het erg als ik een sigaar rook, mijnheer Rinaldi?’

“Gaat uw gang maar weet, ik heb geen tijd: ik heb veel dingen te doen ”

De journalist stak een Toscaan aan, inhaleerde de eerste trek en vuurde de rook naar boven af ​​met een glimlach, die zijn tevredenheid uitdrukte.

Rinaldi keek hem zwijgend aan.

“Weet u waarom ik zo geïnteresseerd ben in Ottavio Bottecchia?”

“Eerlijk gezegd niet”

“Ik zal het vertellen. Ik ontmoette hem op het station van Bologna, vier jaar geleden, in 1923”

“Ah, ja? Hoe bedoelt u?”

“Ik had in opdracht van Desgrange, de organisator van de Tour de France,  een ​​aantal goede Italiaanse wielrenners te zoeken die zouden kunnen fungeren als  knecht in het team van Pélissier:  Automoto. Kampioenen als Girardengo, de beste Italiaan van destijds, ze kostten te veel,  men was op zoek naar een goedkopere renners ”

“En zo?”

“Ik vond hem daar, Ottavio: zittend op een bankje in het station, een broodkorst met een stuk kaas kauwend. Aan zijn zijde was de zak met spullen uit de laatste race waaraan hij had deelgenomen, de dag ervoor. Ik wist heel goed wat erin zat: rijsttaart, een halve kip, jam en suiker ”

Rinaldi lachte: “Interessant. Heb je een artikel voor je krant geschreven? ‘

“Ja, maar slechts een jaar later, toen hij zijn eerste Tour won, toen kwam die gebeurtenis weer bij me op. In elk geval vroeg ik hem waarom hij zijn voorraadzak niet had gegeten. En weet je wat hij heeft geantwoord? ‘

“Luister, dat heb ik achtergehouden om naar huis te brengen. “Cussì the pol magnar calcossa”, vertelde hij me in het dialect. Begrijp je nu wie Bottecchia was? Hij reed honderden kilometers op wegen waar die je niet eens een muilezel zou beklimmen, leed honger, bracht zijn etenszakje mee naar huis”

1926
1926

“Hij was ongetwijfeld een buitengewoon persoon, maar in deze contreien zijn er velen zoals hem: boeren getemperd door duizend ontberingen, en gewend aan zware arbeid”

Borrella inhaleerde een lange sleep van zijn sigaar: “Het lijkt erop dat Bottecchia de laatste jaren bij sommige gelegenheden socialistische ideeën heeft verwoord en dat hij zelfs doodsbedreigingen had ontvangen: wist u dat, Maresciallo?”

“Waar wil je heen, Borrella?”

“Nergens, Maresciallo. Nergens. We praten er niet meer over, laten we hopen dat Ottavio snel zal herstellen en ons kan vertellen wat er gebeurd is”.

Ottavio Bottecchia raakte echter niet uit de coma waarin hij op die 5e juni 1927 was geraakt, en stierf tien dagen later, het onopgelost het mysterie van het tragische ongeval waarvan hij het slachtoffer was bleef onopgehelderd.

Kortom, niemand wist uit te leggen hoe de grote wielrenner een schedelbasisbreuk opliep met hiernaast ook nog ontelbare kneuzingen.

Er zou sprake zijn van een ijskoude drank die een ziekte en de daaropvolgende val van de fietser had kunnen veroorzaken, maar deze veronderstelling leek niet waarschijnlijk, in verhouding tot het aantal en de ernst van de verwondingen die Bottecchia had geleden.

Vandaar dat de vermoedens, dat het een aanslag betrof, de waarschijnlijkste is.

Iemand sprak over een strafexpeditie van Franse supporters, maar dat was geen geloofwaardige hypothese.

Iemand anders bracht het gebruikelijke verhaal van de jaloerse echtgenoot naar voren, maar zelfs dan kon niemand iets bewijzen, noch heeft iemand ooit de misdaad opgeëist.

Enkele jaren later heeft een lokale boer, op zijn sterfbed, onthuld hij dat hij Bottecchia een pak slaag had gegeven omdat hij druiven stelen van de wijngaard: een hoogst onwaarschijnlijk versie van de gebeurtenissen, alleen al omdat het incident plaats in juni plaats vond,  in die maand waren er geen eetbare druiven in de velden.

Ondanks zijn successen werd Bottecchia in zijn thuisland nooit de gevierde renner. Zijn successen boekte hij in Frankrijk en "campionissimi" als Alfredo Binda en Costante Girardengo spraken meer tot de verbeelding dan de stille Bottecchia. 

1926 Jef Van Dam à l’arrivée avec Ottavio Bottecchia, Omer Huyse et Aimé Dossche
In juni 1927 werd hij aan de kant van de weg gevonden met een ernstige schedelbasisfractuur. Zijn fiets had geen schade opgelopen en stond netjes tegen een boom. Hoewel Bottecchia snel naar het ziekenhuis kon worden gebracht, stierf hij enkele dagen later op 32-jarige leeftijd. Een boer bekende later toen hij op sterven lag dat hij een scherpe steen naar Bottecchia had gegooid, toen hij de wielrenner had betrapt bij het stelen van druiven. Sceptici wijzen erop dat in juni de druiven nog niet rijp zijn en het ook voor een wielrenner niet aantrekkelijk is om onrijpe druiven te eten.

Beeld van Ottavio Bottecchia vlak voor zijn door in 1927
Een Italiaan die naar New York was verhuisd heeft eveneens opgebiecht dat hij de wielrenner heeft gedood, in opdracht van de maffia.

Ten slotte vertelde de priester die Bottecchia in zijn laatste uren had bijgestaan, in 1973 – ook weer op z’n sterfbed – dat Bottecchia gedood was door fascisten, die jaloers waren op zijn successen. Inderdaad stak hij zijn socialistische sympathieën niet onder stoelen of banken in het Italië van Mussolini, maar de fascisten zagen hem toch ook als zoon van het nieuwe Italië. De afwezigheid, bij de begrafenis van Bottecchia, van de sterkste Italiaanse renners van de tijd, zoals Costante Girardengo en Alfredo Binda zou deze hyphothese steunen. De Pélissier broers en ook diverse renners uit België waren wel aanwezig om hun laatste eer te bewijzen.

Jaren later zei een Italiaanse balling in Amerika – waarschijnlijk een leugenaar – dat hij de dader was van de moord in opdracht van het regime, vanwege de socialistische opvattingen van de Treviso-kampioen.

Het is politieke moordzaak, zo werd gezegd, een gerucht dat ook aanhoudend verspreid werd in Frankrijk, en in zekere zin ook ondersteund werd door de voormalige pastoor van Gemona, vele tientallen jaren na de feiten. Was de dood was Bottecchia te wijten aan een fascistische aanslag?

L’Intransigeant 4 augustus 1927

Feit blijft dat ware doodsoorzaak wel nimmer achterhaalt zal worden.            Ottavio Bottecchia, hij was in ieder geval een van de grootste wielrenners in de sportgeschiedenis. In de loop van slechts vier seizoenen is hij erin geslaagd heel belangrijke koersen te winnen, waaronder met name twee keer de Tour de France en  Milaan-Sanremo.

Miroir des sports 21 juni 1927

Het waren de slaven van de weg , die reden in de zwaarste bergetappes, op een moment dat de straten in erbarmelijke staat waren, de fietsen waren zwaar, ritten van enkele honderden kilometers lang – het vertrek vaak plaats in het holst van de nacht – en tijdens de race was er niet de minste verzorging.

Het gezin – oorspronkelijk afkomstig uit de regio Treviso – was erg arm, en zeker, Ottavio en zijn twee broers leden honger in hun kindertijd.

Hij ontdekte de fiets tijdens zijn militaire dienst, als fietser van Bersagliere, tijdens de Eerste Wereldoorlog

Het was  in die jaren dat zijn luitenant hem te begon trainen, een zekere Gallia, die een goed amateur-renner was uit Piemonte.

Bottecchia zelf vertelde dat, als hij zich de zware bergmarsen, met die zware wapens, in zijn diensttijd herinnerde, de meest veeleisende bergen van de Tour – zoals Galibier en Izoard – meer op wandelingetjes leken……

In Peonis, op de plaats waar zijn lichaam werd gevonden, staat een standbeeld ter nagedachtenis aan Ottavio Bottecchia.

http://www.omero.it/omero-magazine/scrivere-sport/botescia/

https://nl.wikipedia.org/wiki/Ottavio_Bottecchia