2008-01-07 John Braspennincx, koning der smokkelaars

John Braspennincx, Koning der kermiskoersen, Koning der smokkelaars

Tussen 1936 en 1940 werd John Braspennincx (drie keer nationaal kampioen, deelnemer aan de Tour de France en bij de Profs winnaar van in totaal 129 koersen) met een keten van overwinningen een bijzonder gevierd wielrenner, die mede bijdroeg tot een nog steeds unieke prestatie: op dezelfde dag dat hij Nederlands Kampioen werd bij de profs (Lees hier het verslag van het NK 1937 te Valkenburg), behaalde zijn vader de veteranentitel en werd zijn broer Jan kampioen bij de onafhankelijken. Braspennincx: „Voor mij persoonlijk is dat het hoogtepunt geweest”.

De wielerresultaten maakten van Braspennincx een geslaagd sportman op wiens erelijst echter een opvallend gemis is te constateren: klinkende uitslagen in buitenlandse rondes en wereldkampioenschappen. “Het was alsof de duvel ermee speelde. Ik kreeg in die koersen altijd pech”. Dieptepunt in die poel van tegenslag werd voor hem het wereldkampioenschap van 1938 in Valkenburg. Braspennincx: „Ik reed in die tijd zo verschrikkelijk hard, dat ik voor iedereen de uitgesproken favoriet was. Fausto Coppi heeft toen in interviews gezegd: de enige die het kan worden is “Bras”. Maar op het beslissende moment, toen ik eigenlijk al in gewonnen positie lag, brak mijn crank. Ik kreeg een andere fiets, maar daar sloeg de pion van door. M’n kansen waren weg. Ik stapte af. Dat kostte me ten minste veertien mille, want dat bedrag zou ik van m’n sponsor krijgen als ik won. Veertienduizend gulden… in een tijd dat we van negentien gulden per week leefden”.

John Braspennincx, foto archief Jo Hendriks

In 1942 startte hij bijna onvoorbereid in het nationaal kampioenschap op de Cauberg. Braspennincx: „Door dat smokkelgedoe had ik amper kunnen trainen, maar iemand wilde met me wedden en ik ging erop in”. Het resultaat was opzienbarend. Braspennincx: „Ik kwam op kop te zitten met Kees Bakker, die in de afdaling bij de Grendelpoort onderuit ging en mij meesleurde. Ik zwiepte regelrecht de etalage van de juwelierszaak Fevrier in en lag daar uitgestrekt tussen de gouden horloges. Ik kwam er bloedend en vol splinters uit. Ik kreeg de fiets van een gedubbelde renner en ik ben zó verschrikkelijk hard gaan rijden, dat ik met een minuut voorsprong kampioen van Nederland werd”. Ofschoon John Braspennincx een schitterende erelijst opbouwde, schrijft hij het aan het oorlogsgebeuren toe dat er uit zijn wielercarrière niet werd gehaald wat er naar zijn mening inzat. „Door de oorlog ben ik ook intensief met smokkelen begonnen”.

Daarvóór concentreerde ik me meer op het wielrennen, maar in 1940 liep het aantal wedstrijden zo sterk terug, dat ik er wat anders bij moest doen”. Ja, en sinds een Bredase pastoor hem ooit bij een oprechte biecht verzekerde dat smokkelen geen zonde hoefde te zijn, had hij afgerekend met de onzekerheid in zijn geweten.
Hij vulde zijn leven met de successen van een groot sportman, zoals hij er een was: een kasseienbeul van een wielrenner, die het vuur uit zijn pedalen kon trappen. De Belgen, een gezaghebbend volkje in het cyclisme, gaven hem de eretitel: „Koning van de kermiskoersen”. Zowat gelijktijdig in de jaren veertig veroverde hij er nog een: ‘Koning van de smokkelaars”.

John Braspennincx, “Den Bras”, die door zijn ingeboren lef en feeling voor organisatie uitgroeide tot de roemruchtigste smokkelaar van het Brabantse gebied. Toen de Justitie hem uiteindelijk te pakken kreeg als de leider van een unieke en ongeëvenaarde smokkelgang met maar liefst 50 man vast „personeel”, maakte hij een gebaar van goede wil, dat op onthutsende wijze inzage gaf in wat hij verdiende. John schonk de staat vijftien huizen en wees de plek aan waar hij zijn geld had verborgen: ingemetseld in de kelder van zijn huis, waar de ambtenaren met schop en kruiwagen de buit wegdroegen : tweehonderdduizend gulden in zilveren munt! „Dat was natuurlijk niet alles wat ik had maar maakte ik ze dat wel wijs”. Den Bras kreeg bij elkaar opgeteld in totaal 29 maanden gevangenisstraf, uitgezeten in vijf periodes: negen, acht, zes, vier en twee maanden.

Wat in oktober 1947 tijdens het twee dagen durende proces tegen de wielerheld  de justitie vooral bezig hield, was het zo onwaarschijnlijk lijkende feit dat „Den Bras” alleen-verantwoordelijke was voor die spectaculaire daden met de alom bekende kraaienpoten op vluchtroutes, met rigoureuze barricades met de in de smokkelarij baanbrekende uitvinding van de Pantserwagen als vervoerswapen. Kon één man dat wel alleen?

“Ja”, zegt John Braspennincx nu nog steeds, „maar als ik eraan terugdenk vraag ik me óók af hoe dat in ‘s hemelsnaam allemaal gekund heeft. Soms begrijp ik het zelf niet maar in die tijd ging alles vanzelf. Ik was zo  brutaal als de beul. Smokkelen is iets wat er bij je inzit of niet. Bij mij zat ’t erin. Ik kende de West Brabantse bossen als m’n broekzak, knalde in het stikdonker zonder licht met 90 kilometer per uur over de binnen weggetjes en ik had veel vrienden en onder belangrijke mensen, zoals grenspersoneel en ambtenaren. Die gooide ik plat met geld. Ik smeet er in die tijd mee. Er waren weken dat ik zestigduizend gulden aan lonen betaalde”.

Valkenburg 1937. Drie Nederlandse Kampioenen onder één dak. Hierboven links Johnny Braspennincx, zoon van de beroemde vader. Johnny werd Zaterdagmiddag alg. kampioen van Nederland maar vader, rechts, die ondanks zijn 49 jaar nog meereed bij de veteranen, won in deze klasse ‘ het kampioenschap. In het midden op de foto de renner Theuns, aangenomen zoon van de oude „Bras”, die bij de onafhankelijken kampioen werd.

“Het smokkelen was gewoon een  bedrijf geworden. Ik had thuis bijvoorbeeld een planbord met de vakantiedagen van m’n knechten. Voor mijn Personeel was ik goed. Ik betaalde correct en dat kon je tijd niet van iedere smokkelaar zeggen. Met geld heb ik een hoop bereikt, vooral bij de ambtenaren”. “De eerste die ik omkocht, betaalde zichzelf terug. Hij gaf me, dat was kort de oorlog, militaire papieren, een officiersuniform, een workticket en een plaat ‘Departement van Oorlog’ op m’n auto. Vooral met dat D.V.O-bordje had ik m’n investering rap terug, want ik kon overal gratis tanken. Mét met smokkelspul in m’n wagen. We reden toen veel tabak, daar was aardig aan te verdienen. Er ging steeds voor drie ton handel in, dat betekende dat ik er bij elke vracht zon anderhalve ton aan overhield. Ik haalde die tabak in België, vrachtbrief en lading klopten via het workticket, en de rest deden m’n contactmannen aan de grens. Ik seinde ze precies wanneer er ladingen kwamen en dat liep lang goed”. „Tips, daar draaide het om. Op die manier heb ik eens een trein, waarin een paar knechten van mij zaten die door de Duitsers gepakt waren, onderschept. Een gevangenbewaarder vertelde me alle details van het transport, ik maakte een enorm plan, ik versierde een Duits uniform, een auto met Duitse nummerplaten en op een onbewaakte overweg bij Amersfoort heb ik die trein opgehouden met een rode vlag. Een van m’n knechten wist te ontsnappen. De ander had het niet door, die was vrij stom, en bang”.

Tour de France 1937, Nederlandse ploeg aan de start — v.l.n.r: Toon van Schendel, Theofiel Middelkamp, Albert van Schendel, John Braspennincx, Gerrit van de Ruit en Piet van Nek in Parijs.

„We zijn samen eens zó beschoten, toen we op de fiets boter smokkelden, dat ‘ie van schrik vergat te trappen en alleen maar gilde. John, riep ‘ie, ze schieten ons dood. Houd m’n trui vast, zei ik, en rijen zo hard als ge kunt. De kogels floten rond onze koppen, de spaken zowat uit de wielen. Maar we kwamen veilig over. Ik was niet bang te krijgen. Ze hebben zeker twee- of driehonderd keer op me geschoten, maar ik ben er nooit van onder de indruk geraakt. Als ik op de fiets zat kon ik alles. Ik had met het wielrennen zon verschrikkelijke demarrage, dat als ik op m n pedalen ging staan, de douane geklopt was”. „Zo ben ik eens weg gespurt terwijl ze op me schoten, langs de kant van de weg in de bosje gedoken, van de overkant een dunne berkenboom naar me toe gehaald en toen de commiezen op mijn hoogte waren,  liet ik de stam los. Zo vlogen als raketten in ’t rond, die commiezen. Daar zat ik niet mee. Ik zat nergens mee. Zoals het uitkwam, pakte ik het aan”. „Ik ben eens bezig geweest met elastiek-smokkel op Frankrijk. Niet te geloven. Ik legde contacten via twee Amerikaanse militairen die een route hadden op Parijs die ik per rit vijf mille per man betaalde als ze een vracht meenamen. Er ging steeds twee ton mee naar een plaats in Parijs, waar ik ze opwachtte om die handel door te spelen naar Chinezen. Wat die er mee deden is me nog een raadsel, maar ze waren er zo gek op, dat ik miljoenen meters de grens over liet rijden. Het werd zo’n omvangrijke affaire, dat ik er een Engelse sergeant voor moest omkopen om me aan papieren te helpen die het risico verkleinden. Die man vroeg er tien mille per rit voor, die ik hem graag betaalde. Kun je nagaan hoe mijn verdiensten lagen”.

December 1970: dubbelportret van vader Jan (82) en zoon John (56) Braspennincx met hun racefiets

Zijn reputatie als „koning” verwierf John Braspennincx zich als smokkelaar met pantserwagens. Daar had de in smokkeluitrustingen toch inventieve grensstreek nog nooit van gehoord. Braspennincx: „Ik knalde er dwars de grens mee over. De slagbomen braken als lucifers. Drie had ik er gekocht, in de dump. Ze ploegden overal doorheen en dat ze veel lawaai maakten, deed me weinig, want als de gealarmeerde douane in actie kwam, kon ik ze hebben. Ze schoten voor niks. Met spijkers en kraaienpoten op de weg was ik ze zo kwijt. Ik reed tonnen tabak, boter en textiel de grens over”.

„Maar het is uit de hand gelopen toen veel andere smokkelaars ook pantsers namen. Het werd een troep en de douane gaf me overal de schuld van. Alleen: er viel niks te bewijzen. Maar het werd me te link, ik vroeg de anderen ermee op te houden en ze deden het allemaal op één na. Ik zei tegen ‘m: dan pak ik dat ding wel af. Eerst kocht ik z’n belangrijkste chauffeur om, toen twee Bredase politieagenten, die voor me moesten patrouilleren en de rest ging vanzelf: we zetten een val op, ze sloegen op de vlucht en ik reed zelf die pantser naar België, waar ik ‘m verkocht”. Zijn activiteiten met de pantserwagen-smokkel werden verraden, waarna John Braspennincx in de cel terecht kwam en veroordeeld omdat er gebeurde wat hij nooit voor mogelijk had gehouden: zijn knechten sloegen door. Braspennincx: „Dat is de grootste teleurstelling uit mijn smokkeltijd geweest ik had als held voor de balie willen staan, maar op die manier mislukte dat”.

Koning der smokkelaars, een heel bijzonder boek, een spannende roman ! Maar geen verzinsel. Geen roman die het resultaat is van de fantasie van de schrijver, zoals Graumans reeds ’n twintig maal èn met vele herdrukken schreef, doch deze keer een boek van keiharde feiten ! We hebben hier namelijk te doen, met de grootste smokkelaar, die ooit de grenspolitie van Nederland en van West-Europa tot radeloosheid heeft gebracht. Die ‘gewerkt’ heeft onder en tègen Duitse maar ook Amerikaanse en Engelse, Franse en Belgische, ja met Poolse soldaten en officieren. Die zich niet ontzien heeft op het laatst de grenzen te forceren met pantserwagens, daaruit te opereren met rookbommen en spijkerplanken en zich bloot te stellen aan een wilde drijfjacht van tientallen schietende, gemotoriseerde politie onderdelen, die echter allen vergeefs attaqueerden, met hun motoren, jeeps, stenguns en strijdwagens tegen de smokkelaar, de sportman John Braspennincx! Dat is het nu juist: tegen de sportman John Braspennincx, uit Princenhage (Nd.-Br.). En wat voor een sportcrack ! Een der geweldigste wielrenners van zijn tijd ! Het is de verdienste van de schrijver, hierop de nadruk te hebben gelegd, waardoor het psychologisch duidelijk wordt, hoe en waarom zo’n man in jaren van oorlog en chaos er toe komt te gaan smokkelen, niet alleen, maar ook, waarom een dergelijke sportreus dit deed op de wijze, waarop Braspennincx dat heeft gedaan. Er is van zulke belevenissen heel wat te vertellen. Maar het is tevens interessant en voor de historie niet onverdienstelijk, dat deze wilde ‘manier van zaken doen’ in de fel bewogen periode van de ‘veertiger jaren’, eens werd vastgelegd. De geboren verteller. Den Dré pseudoniem van Adrianus Antonius Lucien Graumans, volg de link

Toen John Braspennincx zijn straf had uitgezeten zocht hij nieuwe glorie in de wielrennerij, die hem al een grote naam had opgeleverd. Net als in de smokkelarij door verbluffende resultaten. Waartoe John Braspennincx als coureur nog in staat was, bleek in de voor hem zo grillige naoorlogse jaren, toen de smokkeldrukte het won van zijn wieleractiviteiten. Na gestopt te zijn met de pantserwagens ging hij, 98 kilo zwaar en ongetraind, de weddenschap aan om binnen drie weken twee wedstrijden te winnen. Het werden drie zeges in twee weken en een halve maand later zat hij in de gevangenis. Weer op vrije voeten (na acht maanden) hervatte hij de training en klopte zes weken later Gerrit Schulte in het omnium van Feyenoord. En wéér belandde hij niet veel later achter tralies en muren, nu wegens een aandeel in een goud-smokkel. Vanwege zijn aanraking met de justitie werd hem later een licentie geweigerd door de wielerbond en toen die uiteindelijk toch afkwam, woog Braspennincx 104 kilo hetgeen hem niet verhinderde via straffe training datzelfde seizoen nog zeven overwinningen te behalen. In 1952 maakte hij, na een overwinning in een dernywedstrijd in Dortmund, een einde aan zijn carrière. „veel te vroeg” zei hij.

klik en lees De Volkskrant 7 januari 1948

John Braspennincx overleed op 7 januari 2008 op 93 jarige leeftijd. Ondanks alle succes in sport en smokkelzaken was zijn materiële welstand, zoals hij zei, niet indrukwekkend. Hij woonde in een onopvallend rijtjeshuis in de grensplaats Zundert: „Ik kom niks te kort”, lichtte hij destijds toe „Ik ben ook niet schatrijk. Ik vraag me wel eens af waar al m’n geld gebleven is. Ik weet het niet. Als ik het zo eens bekijk, ben ik met smokkelen financieel eigenlijk niet zoveel opgeschoten. Maar dat kan me weinig schelen. Ik heb het goed zo. Ik ben tevreden. Als ik het allemaal over kon doen, deed ik het niet anders”.

Klik en lees het Vrije Volk van 9 januari 1948

Bronnen:
Limburgs Dagblad 24-12-1976 (Peter Heerkens)
https://nl.wikipedia.org/wiki/John_Braspennincx
https://sportgeschiedenis.nl/wielrennen/john-braspennincx-koning-der-smokkelaars-en-kermiskoersen

 

1921-07-18 Benjamin Javaux

Benjamin Javaux neemt deel aan de Grande Boucle van 1921, er zijn 15 etappes met een totaal van 5484 kilometer. Hij draagt ​​het rugnummer 174. Tijdens de 12e etappe, die Genève (Gex) – Straatsburg over 371 km constateert Benjamin na een val dat een buis van zijn frame is gebroken en de vork van zijn fiets is verbogen …

Benjamin Javaux (geboren op 3 maart 1894 te Neffe, een gehucht bij Bastogne in de provincie Luxemburg, een dik uur rijden van Maastricht), had een pijnlijke jeugd. Zijn vader verdrinkt in de Maas, hij viel uit de sleepboot waarvan hij de kapitein was en dat we kort voor de geboorte van Benjamin, die de zelfde voornaam krijgt als zijn vader. Benjamin is de tweede zoon van het gezin. Het jaar waarin Benjamin zijn debuut in het wielrennen maakte, is niet precies bekend. Wat wel bekend is dat hij met de wielersport moet stoppen in verband met het uitbreken van de 1e wereldoorlog om zijn militaire dienst te vervullen. Op 20 jarige leeftijd, aan het begin van de oorlog, was Benjamin een artillerie-waarnemer in Fort van Dave. Het fort viel snel in handen van de vijand. Maar Benjamin ontsnapt, gaat in burgerkledij terug naar zijn woonplaats Dinant waar hij ontdekt dat 4 leden van zijn familie, waaronder zijn moeder, door de Duitsers zijn doodgeschoten tijdens de bloedbaden op 23 augustus 1914 te Dinant. Benjamin besluit daarom naar Nederland te gaan en van daaruit door naar Engeland om zich vervolgens aan te sluiten bij de “13th Belgian Field Artillary”. Hij keert terug naar België, neemt langdurig deel aan de slag bij Ieper.  Zijn oudere broer, Eugène, was na zijn studie aan de Atheneum van Dinant accountant geworden in Huy. Deze meldde zich aan als vrijwilliger bij de oorlog en werd gedood bij de slag om de IJser. Toen hij terugkeerde van de oorlog in Anseremme, was Benjamin de enig overgebleven telg van zijn familie. Hij werd hierop opgenomen door de familie Fabry van het Hôtel de la Gare. Hij besloot weer te gaan koersen.

Tour de France 1921 12e etappe Genève – Straatsburg, 371 km

We zijn ongeveer twintig kilometer van de finish als we in onze volgwagen een dorp doorkruisen, kort na Schlestadt. Er heeft zich net een val voorgedaan in het peloton … we hoorden de krijsende remmen. We komen aan bij het toneel van de valpartij, de mensen wijken naar achteren. Eén renner blijft achter, zijn dij en linker elleboog diep geschaafd … het is de jonge Belg Benjamin Javaux

Benjamin Javaux aan de finish te Straatsburg, 12e etappe, Tour de France 1921, Les Miroirs des Sports 28 juillet 1921

In een reflex pakt hij zijn fiets, maar realiseert zich onmiddellijk dat er iets mis is met zijn koersmachine, een buis van het frame is gebroken en de voorvork is verbogen. Doorgaan is niet mogelijk, hij heeft een andere fiets nodig heeft en vraagt aan alle omstanders om hulp. Een fiets! Javaux wil koste wat kost de etappe én de Tour voltooien. Hij weet ook, het is namelijk een van de wedstrijdreglementen in de Tour, dat hij met dezelfde fiets waarmee hij is gestart, ook de finishlijn moet overschrijden. Dat de fietsen van de arriveerde renners door de Tour organisatie zouden worden gecontroleerd dat stond vast

Les Miroirs des Sports 28 juillet 1921

Hij heeft tranende ogen, verdrietig loopt hij verder met zijn kapotte fiets, hij zoekt mensen die hem kunnen helpen Straatsburg te bereiken, er is nog slechts zo’n twintig kilometer te gaan. Zijn verwondingen aan zijn dij, zijn gescheurde korte broek, hij heeft er geen oog voor, het maakt hem niet uit. Hij bloedt, het bloed vermengt zich met de schaamte en het stof van de weg. We zijn getuige van een tafereel, het zielige beeld van deze radeloze, gewonde coureur, die aan zichzelf is overgelaten, aan de rand van een onbekende weg, die hem in verlegenheid brengt. Zijn blik verraad de ellende waarin hij verkeerd. Hij wordt achtervolgd door het afschuwelijke spook van verlatenheid nu het peloton al ver weg is, de laatste officials zijn reeds gepasseerd. Net nu, als het moeilijkste deel van de Tour achter de rug lijkt, met Parijs in zicht.

Les Miroirs des Sports 28 juillet 1921

Les Miroirs des Sports 28 juillet 1921

Maar plots komt een jonge man, zijn fiets voortduwend, uit de dubbele rij toeschouwers: “Hier, mijnheer,” zei hij, zijn fiets aanbiedend. Ik kom hem straks wel ophalen in Straatsburg, veel geluk !! Javaux stond verbluft, hij kon het niet geloven, beseft plots dat hij in staat zal zijn om zijn weg, de etappe en de Tour te vervolgen, het is een geschenk uit de hemel. Het moment is een aangrijpend moment, ook de jongen die Javaux uit de brand hielp zal zich zijn dankzeggingen vast nog lang herinneren. Javaux had al de tas van zijn fiets geopend en nam een sleutel waarmee hij het zadel van zijn vervangende fiets snel op hoogte zette. Vervolgens nam hij met een grote zwaai de zware last, van zijn gebroken fiets, op zijn schouders. Met een brede glimlach voor degenen die hem hielpen ging hij weer op pad en zijn eerste pedaalslagen ontketenden een applaus.

Les Miroirs des Sports 28 juillet 1921

De bestuurder van onze auto heeft net de motor opnieuw opgestart, mijn keuze is snel gemaakt: we gaan niet achter het peloton aan om getuige te zijn van de aankomst  maar blijven Jarvaux volgen. Als deze man er in slaagt, deze moedige coureur, om de finish te bereiken, dan zal hij de held van de dag zijn! Het is daarom dat we hem moeten volgen, zodat hij zich minder alleen voelt in zijn worsteling, nu de menigte langs de weg beetje bij beetje achterwege blijft. Logies want ze zullen denken dat de laatste renners al wel voorbij zullen zijn. Ondanks de vermoeidheid, de moeite om goed in lijn te blijven met die fiets die op de schouders hangt, houdt rugnummer 174, Benjamin Jarvaux, een uitstekend tempo. Van tijd tot tijd moet hij zijn stuur met de rechterhand loslaten om het frame dat om zijn nek knelt een beetje op te wippen. We hebben nu Benfeld bereikt, het nemen van de hoofdstraat, kasseien, is een echte beproeving voor de man die voor ons op zijn leenmachine voort koerst. Het publiek is verbijsterd, men moedigt hem aan, juicht hem toe.

Les Miroirs des Sports 28 juillet 1921

Bij het uitrijden van de stad gaan we naast Jarvaux rijden, het is onze beurt om hem aan te moedigen, mede ook omdat zijn tempo sterk is afgenomen. Op zo’n 5 kilometer van de arrivé rijden we langs hem, “we wachten op je bij de finish … Bravo!” Ondanks dat hij, zichtbaar, behoorlijk afziet slaagt Javaux er nog steeds in om ons een glimlach toe te werpen! Straatsburg, het is niet meer ver. Nog slechts een paar nare gaten in de weg moet hij vermijden om zijn beproeving niet nog meer te verergeren. En dan is het tijd voor de verlossing! We haasten ons naar de finishlijn om de jury te waarschuwen dat rugnummer “174” niet heeft opgegeven, dat deze elk moment en zeker nog op tijd zal aankomen. En nu stijgt een geroezemoes op in de menigte op, die nu rondwandelt op de plaatsen waar de aankomst eerder werd betwist. Daar, in de richting van de fluiten die we horen, zien we een fiets verschijnen. Het is “zijn fiets”, deze lijkt te glijden over de hoofden van de menigte. Het is Javaux die arriveert, voorafgegaan door gendarmes die voor hem uit rennen om de weg naar de finish voor hem vrij te maken. Benjamin Javaux is aan het einde van zijn latijn. Hij leverde een fantastische maar pijnlijke prestatie en wordt spontaan toegejuicht door de toeschouwers die hun ogen niet kunnen geloven!

Les Miroirs des Sports 28 juillet 1921

Ik zie hem afstappen, de finishlijn uiteindelijk overschreden, die kerel van een man, verwoest door vermoeidheid, met pijn in zijn schouder en nek die lijkt in brand te staan. Ik denk terug aan Eugène Christophe die zijn gebroken vork repareert in die oude smidse in het dal van een vallei in de Pyreneeën en ik zeg tegen mezelf dat het deze mannen zijn, die met hun acties en hun vastberadenheid, die de legende van de Tour de France gemaakt hebben.

Les Miroirs des Sports 28 juillet 1921

Met een leenfiets, met op zijn rug zijn kapotte koersvelo, eindigt Benjamin in zijn eentje deze etappe zelfs nog op een schitterende 12e plaats op 29 minuut, 12 seconden van de winnaar, de Franse Honoré Barthélémy die de rit beëindigd na 15 uur, 37 minuten op het zadel te hebben gezeten. De  tragische gebeurtenissen die Benjamin tijdens zijn jeugd had meegemaakt hadden beslist hun invloed op de enorme wilskracht die deze coureur ten toon spreiden om een ​​evenement af te sluiten dat zo prestigieus was als de Tour de France, terwijl hij nog geen middelen had om door te gaan de professionele wielercarrière die hij had gekozen.

Les Miroirs des Sports 28 juillet 1921

In Parijs, aan het einde van de Ronde van Frankrijk, eindigt Benjamin op de 21e plaats op 25 uur, 25 minuten van de winnaar, een andere Belg, Léon Scieur. In het eindklassement van de geïsoleerde renners, tot welke categorie hij feitelijk behoorde, eindigde hij op de 12e plaats. Winnaar van de Tour de France in deze categorie is de Tongenaar Victor Lenaers

Victor Lenaers, de Limburgse winnaar van het eindklassement in de categorie geïsoleerde renners 1921

Bij de terugkeer van zijn schitterende Tour de France werd Benjamin gevierd door de stad Dinant. Nadat hij daar uit de trein stapte, werd hij per koets naar het stadhuis gebracht waar hij een mooi cadeau aangeboden kreeg ter herinnering aan zijn geleverde prestaties in de voorbije Tour, een 18-karaats gouden zakhorloge.

Les Miroirs des Sports 28 juillet 1921

rituitslag:
1. Honoré Barthélemy: 15hr 7min 53sec
2. Hector Heusghem z.t.
3. Léon Scieur z.t.
4. Jean Belvaux @ 27min 33sec
5. Luigi Lucotti z.t.
6. Louis Mottiat z.t.
7. Félix Sellier z.t.
8. Eugène Dhers z.t.
9. Hector Tiberghien z.t.
10.Léon Despontin z.t.
12. Benjamin Javaux @ 29min 12sec

algemeen classement na de 12e etappe:
1. Léon Scieur: 177hr 47min 35sec
2. Hector Heusghem @ 21min 47sec
3. Honoré Barthélemy @ 1hr 58min 35sec

L’Auto 31 juillet 1921

2019-12-03 Jacques Nieskens

Ik hoorde de Gens nog zeggen “kom Chris, we maken dat we wegkomen, Kueb wordt wild op die fiets”

Kueb (Jacques) Nieskens, 87 inmiddels, was in de eerste helft van de jaren vijftig, vorige eeuw een van de beste amateurs in het Limburgse land. Naar eigen zeggen waren de jaren ’52, ’53 en ’54 zijn beste jaren. Dat het inderdaad beste jaren waren is ook terug te zien aan zijn palmares. Ik lees in zijn plakboeken o.a. een keer Limburgs kampioen, 3e in het eindklassement van de Ronde van Belgisch Limburg, etappezege’s in de Ronde van Limburg en de Ster van Namen en Ronde van de Twaalf Kantons, 8e in het eindklassement van Île de France. Winnaar van tal van criteriums in België, Duitsland en Nederland. Ook was hij enkele keren als 1e reserve geselecteerd voor de WK’s maar het is er nooit van gekomen. Ik was graag meegegaan naar enkele van die mooie WK‘s, ik noem met name Solingen in ’54 waar Mart van der Borgh nog mooi 3e werd.

Jacq. Nieskens met z’n zoveelste overwinningskrans

Kueb kon goed bergop maar was daarnaast ook nog eens een rappe eindspurt.  Hij maakte deel van een uitstekende lichting Limburgse amateurs en onafhankelijken, ik noem Jan Nolten, Piet Haan, de gebroeders Steevens, Kees Boelhouwers, Jef Lahaye, de gebroeders Gelissen, Piet van den Brekel, Flor van der Weijden, Harry Schoenmakers, Mart van den Borgh, Sjra Vergooszen, Nol Ehlen, en zeker nog een tiental namen moeten in dit rijtje eigenlijk ook nog benoemd worden, b.v. Fons Steuten, Willy Gramser, …

V.l.n.r: ploegleider Toine Gense, Jacq, Nieskens, Flor van der Weijden en Mart van der Borgh

In 1932 geboren in Swalmen, niet ver van Roermond. “Ik  was een echte Schwaamer zoals ze dat zeggen, ze daar allemaal “enne slaag van de meule”. Ja, Jacq kan goed vertellen over de koers en meer, en dit met, zoals meteen al met deze uitspraak blijkt, veel humor.

Bij Swalmen denk ik al meteen aan de wielerpionier Mathieu Cordang die daar ook woonachtig was. Ja zegt Jacq, ik heb hem nog gekend, al was ik toen nog een kwajongen van een jaar of tien. Hij had aan de provinciale weg in Swalmen een garage. Er waren 2 benzinepompen voor de deur, een met diesel en een met benzine. Ik zat ooit aan een van de hendels van zo’n pomp te frunniken, ik had niks in de gaten tot ik plots van achteren een oorvijg kreeg, het was Mathieu Cordang zelf… Een jaar later schat ik, dat hij is overleden, dat was in de oorlog, in 1942”.

Onthulling van het monument ter ere van Mathieu Cordang in Swalmen , 29 augustus 2018, geheel links Jacq. Nieskens. Inzet rechts: Het monument

“Ik was een knaap van zo’n 14 jaar toen ik begon met werken, dat was in Swalmen bij de houtfabriek. “Een oom van me  die was daar machinist, die wilde graag hebben dat ik daar kwam werken. Na verloop van tijd, niet lang nadat ik er was begonnen, zei tegen oom Willem, Ik blijf hier niet, ik kreeg meteen een draai om mijn oren, jij blijft hier en je word net als ik ook machinist op die stoommachine. Maar ik wilde dat niet. Ik zag in de krant staan dat er in Tegelen, bij een machinefabriek, mensen gevraagd werden waarop ik tegen mijn vader zei dat ik daar heen ging om te vragen of ik er mocht beginnen want dat hout, het interesseerde me totaal niet”. Het enige wat hij zei “als er maar brood op de plank komt”.

De Ronde van (Belgisch) Limburg, TWC Maastricht (10 renners per ploeg) vóór de start, Kueb Nieskens, 3e van links nam 4 maal deel aan deze 5 daagse etappekoers, en won een etappe en 3e in het eindklassement

Ik ben toen met mijn fiets, er zaten niet eens banden op dus op de velgen, naar Tegelen gereden. Ik stond er aan de poort te kijken toen de baas me zag staan en vroeg:  “Jong, wat kumste doon? Of ik er mocht komen werken. Morgen zei hij, wat mij betreft morgen, morgen mag je beginnen! Maar ik moest eerst nog ontslag nemen op de houtfabriek in Swalmen. Twee weken later stond aan de zaagmachine, ijzer te zagen. Ik reed al een week op en neer naar Tegelen, toch een dikke 15 km enkele reis met mijn fiets, op de velgen toen hij van mijn collega’s vernam. Hij kwam naar me toe en vroeg “Joong, heb je geen geld voor banden?  Ik kreeg wel 3 gulden 60 reiskosten vergoeding per week, die hield ik fijn mijn zak. Ik was de benjamin van het bedrijf en moest ook wel eens boodschappen hiervoor doen, met die fiets zonder banden. Hij kwam naar me toe en zei: “En straks ga je naar Strouken, die naam vergeet ik nooit. Rijwielzaak Strouken dat was in Tegelen, je gaat daar een stel binnen en buitenbanden halen, en morgen dan kom je naar je werk met je fiets mét banden! ’s Anderendaags stond hij mij al bij de fietsenkelder op te wachten, ik heb er uiteindelijk 6 jaar gewerkt. Ik heb er een super leerschool gehad, die baas, die man was als een vader voor me.

foto Tonny Strouken

Hoe ik aan het fietsen toe gekomen ben? Nou, op de fabriek in Tegelen daar kwamen 20 fietsen aan, Peugeot, sportfietsen, die kostten toen 125 gulden per stuk, super sportfietsen.  Sjaak, zei mijn baas, geef je op, dan krijg je ook een fiets. Ik dacht dat ik geen kans op een fiets zou hebben maar hij zei, Sjaak, geef je op, dan krijg je er een, ik zorg daar voor! En zo was het, ik kreeg een fiets, een Peugeot sportfiets, mét spatborden, maar die waren er al af voordat ik thuis was. Er zat wel nog geen koersstuur op. Nog geen 100 meter van ons huis was een vuilnisbelt, daar heb ik een oud stuur van een omafiets af gehaald, omgedraaid, afgezaagd en nog wat aan gelast en kijk, ik had een koersfiets! Zo ben ik aan wielrennen toe gekomen. Mijn eerste wedstrijden reed ik bij de “wielerbelang’ ( de latere NWB), dat was meen ik in 1946. De eerste wedstrijd die ik heb gewonnen, dat was in Haelen, ook dat vergeet ik nooit van mijn leven,want ik klopte daar Hans Voesten. Die Voesten won destijds bijna alles maar toen ik in Haelen met hem op de streep afkwam…Tjoep… de bloemen. Ik had wel inmiddels een andere fiets. Ik  kocht een frame van Sjef Janssen in Elsloo, Sjefke had toen nog geen winkel, het was een frame dat hij afdankte. Ik moet zeggen, ik was er erg blij mee. Met het frame op mijn rug reed ik van Elsloo naar terug naar huis. Die renfiets heb deze toen zelf opgebouwd, Sjef Janssen had me er nog enkele onderdelen bij gedaan, ja, ik koester ook goede herinneringen aan Sjef, een sympathieke man met een groot wielerhart.

Jacq. Nieskens met zijn trotse ouders

Valpartijen? Ik? Ik durf het niet te zeggen, zo vaak, ik heb mijn rechter sleutelbeen in een koers gebroken, wáár was dat ook alweer? Een flinke valpartij, hup naar het ziekenhuis, ik kreeg een harnas aan. Na verloop van tijd ging het toch kriebelen. Ik zei tegen mijn moeder, ik woonde nog thuis, Mam, ik ga wat fietsen. Kijk uit zei ze, dat je niet op je beest valt. Via de dakkapel heb ik mijn koerskleren naar buiten gegooid, mijn vriend Jef stond buiten te wachten, op naar Overpelt in België, met de fiets natuurlijk, we gingen altijd met de fiets naar de koers. Mijn ploegleider Wouters zei nog Nies, ge gaat toch niet koersen met die arm? Gelukkig waren er geen kasseien. Ik werd 2e, als ik dat niet met die arm had gehad, dan had ik gewonnen, ik kon rechts niet aan het stuur trekken. Mijn moeder wist van niks, maar ik had toch weer een mooie cent, nee frank verdient. Bij de omloop Het Volk van 1956, de aankomst was op de baan, het zogenaamde Kuipke van Gent. Bij het binnenrijden van de piste kwam ik ten val, ik brak de knieschijf van mijn rechter been, het betekende het einde van mijn wielercarrière dus van valpartijen, ik weet er alles van! In 1957 ben definitief ik gestopt.

Limburgs Dagblad 16 juni 1952

Ik ben in bezit van een gouden, zilveren en bronzen medaille van de KNWU, een keer 1e, 2e en een keer 3e in het Limburgs kampioenschap. Dat kampioenschap dat ik behaalde op het Caubergcircuit. Die Cauberg vlóóg ik altijd omhoog, ik hoefde niet eens uit het zadel te komen, ik woog immers maar een kilo of 53. Het was in 1952 dat ik het Limburgs kampioenschap won, wat was me dat een heisa daar aan de streep. Velen meenden dat ik daar onterecht op het hoogste schavot stond, dat het Hein Gelissen was, Gibson noemden we hem, die de ware kampioen was die dag. Hein zou het eerst zijn wiel over de streep hebben geduwd. Maar Sjra Sillen, de bekende sportredacteur zei later “Jacq, ze hebben je willen besodemieteren, die foto’s van de finish, die hebben ze verdraaid” Hoe dat gaat weet ik ook niet, maar ik ben en blijf toch de Kampioen van Limburg van 1952.

vooruitblik uit de krant van juni 1956 met de uitslagen van de vijf voorafgaande jaren

Piet Haan klopte ik in zijn eigen dorp Mechelen, dat was een van mijn mooiste overwinningen, toch de koers waar ik de mooiste herinneringen aan heb. Het was mijn tweede of derde wedstrijd bij de amateurs. Mijn supporters van Swalmen die wilden me zelf naar Mechelen brengen met de auto. Dat was niks voor mij, ik ben met de trein naar Maastricht gereden en van daaruit met een rugzak op de fiets naar Mechelen. Ik had me nota bene bij Piet thuis omgekleed, hij had me dat zelf aangeboden. Een man vijf  hadden afspraken gemaakt, Piet zou voor eigen publiek mogen winnen, maar mij was daarover niks verteld.

foto Tonny Strouken

De dag erna, op maandag,  moesten we in Maastricht fietsen. Radium Ronde meen ik dat het was. Ik kwam Pietje voor de koers tegen, “Sjaak, zei hij, je hebt me gisteren de das om gedaan, wil je me hier niet helpen want hier heb ik ook veel supporters zitten. Ik zelf had trouwens ook een grote supportersclub met meer dan 500 leden, die gaven iedere maandag een kwartje.  Als mijn sponsor, dhr. Evers het goed vind ga ik akkoord. Nou, die vond het na die overwinning in Mechelen wel goed. En Piet Haan? Die won hierop de Radium Ronde van Maastricht. Ik kon met Piet Haan goed door één deur, we waren goede vrienden. Met  de andere coureurs kon ik ook goed mee overweg, behalve met Harry Ehlen….

Limburgs Dagblad 15 september 1952

Ronde van Mechelen 1952, met Piet Haan op de foto van sportfotograaf Tonny Strouken

Harry was een neef van Nol Ehlen. Nol was een geweldig coureur, en altijd eerlijk. Dat laatste kon ik van Harry niet zeggen. Het had allemaal te maken met de Ronde van Swalmen van 1956. Ik zat in de slag met Fons Steuten  en Harry Ehlen, we zaten samen in de kopgroep en de afspraak was dat ik zou winnen, met niet veel machtsvertoon. Ze wisten wel dat ik niet te kloppen was. We kwamen de laatste bocht uit, ik op kop, zet niet al te hard aan, ik kijk naar Fons Steuten en flits, de “schmale remmel” vliegt me voorbij… hij klopte me en ik was zó kwaad, mijn fiets vloog over een heg en ik snoeksprongde er ook nog overheen, ik was niet moe, helemaal niet. Klaartje, de vader van Harry, die kwam naar met toe, “Sjaak , zei hij, wat die witte van mij vandaag geflikt heeft, zal je hem wel nooit vergeven”. Ik zei, over drie weken dan is de Ronde van Geleen… daar wint hij nog niet één cent !! Oei, was zijn reactie, je gaat toch geen kloterijen uithalen Sjaak? Nee dat niet, maar ik ga er wel alles aan doen, dat heeft hij nog nooit meegemaakt!

Drie weken later de thuiswedstrijd van Harry Ehlen. Ik had al een paar premies voor de neus van Harry weggekaapt en hem er nog eens op gewezen dat hij geen cent ging verdienen.  Winand Kamphuis, die was ook uit Sittard, komt naast me rijden “Kuub, als ik nu wegspring, kom je dan terughalen?”, Nee Winand, jou niet, maar die “kruppel“ die zal achter ons eindigen.

Winand sprong weg, ik haalde hem niet terug, maar een ronde of drie, vier voor het einde wordt hij weer bijgehaald. Ik zat midden in de groep, ik hield alleen Harry in de gaten. We gaan op de streep aan, ik trek de spurt aan, ik win… en op de streep draai ik me om op de fiets en trek met mijn hand een lange neus naar Ehlen, ik heb er nog krantenartikel van, ge-wel-dig.

We gaan op de streep aan, ik trek de spurt aan, ik win… en op de streep draai ik me om op de fiets en trek met mijn hand een lange neus naar Ehlen

Ik reed al die jaren bij een Belgische ploeg, Victory (Jozef Schaeken Maaseik). Voor elke wedstrijd die ik won kreeg ik 100 gulden. En natuurlijk een fiets, koerskleding en tubes (maar niet zo veel tubes). De Victory fiets heb in nog steeds, al ligt hij wel uit elkaar, het frame de onderdelen en de wielen zijn er nog. Op een gegeven moment kwam er min of meer herrie, men wilde dat ik Belg zou worden, maar dat wilde ik niet, en mijn ouders al helemaal niet. Toen ben ik overgestapt naar de Eroba ploeg van Toine Gense.

V.l.n.r: Jozef Schaeken, (Victory rijwielen) met zijn dochter, Jacq Nieskens en rechts achter Kees Boelhouwers

Ronde van Epen 1952, jonge joong, wat was het slecht weer, wat een modderballet. Piet Haan moest daar winnen, hij was weggesprongen met Leo Steevens. Ik ben daar toen alleen naar toe gereden. Toen ik er bij zat zei Pietje tegen mij “Sjaak, ik wil hier graag winnen, dan delen we de prijzen en premies” Ik vond het goed, dat hebben we daarna nog vaak gedaan, de prijzen gedeeld.

Ronde van Epen 1952, v.l.n.r: Jacq Nieskens, Piet Haan en Leo Steevens. foto Tonny Strouken

Waar ik ook een gouden herinnering aan heb overgehouden is de 3e rit van de Ster van Namen, Stavelot– Jupille in 1955. Leo Stevens, die reed in de gele leiderstrui die hij na een geweldige tijdrit om de schouders had. In die derde etappe naar Juplille was op een gegeven moment mijn derailleur kapot, ik lag ruim een minuut achter. Mijn ploegleider, Toine Gense stopte met zijn Jeep naast me, Chris van Dooren zat achter het stuur. Ik kreeg de reservefiets van Harry Schoenmakers, die had dezelfde maat fiets als mij. Gense riep “als je maar zorgt dat je binnen de tijdslimiet binnenkomt!”. Tijdslimiet? Hoezo, tijdslimiet? Als je niet maakt, dat je snel wegkomt, dan, slinger ik deze bidon naar je hoofd! En er hoeft ook niemand op me te wachten, ik kom gemakkelijk alleen terug!!

Jacq. met zijn clubgenoten van TWC Maastricht

Ik hoorde de Gens nog zeggen “kom Chris, we maken dat we wegkomen, Kueb wordt wild op die fiets” Een motorrijder bleef bij me, die vroeg op een gegeven moment of ik nog goed wijs was, zo hard ging ik bergaf. Voor mij was het geen nieuws, dalen kon ik als de beste, ja, met doodsverachting! Zoals ook bij de criteriums, ik trapte in de bochten gewoon door, velen durfden me niet te volgen. Onder aan een berg kon ik weer aansluiten en dacht, als ze nu maar niet gaan demarreren want dan word ik er zo weer afgepiert, maar het viel mee, gedurende de beklimming schoof ik al doende steeds iets meer naar voren. De Gens kwam naast me rijden en stak zijn duim op. Bij de beklimming van de Hallembaye koos ik de aanval. En niemand kon me volgen, ik won de etappe met 31 seconden voorsprong.

Jacq. Nieskens winnaar van de Grosser Mücken Preis in Krefeld, ik won daar een sportfiets. Wat doen we daar mee? vroeg mijn broer Ton. Rij er maar mee naar huis, dan is hij van jou !! zei ik.