1953-05-10 Limburgs kampioenschap voor amateurs

Tevens vertelt Henk Steevens over de, na zijn winst in het kampioenschap volgende, aanloop naar zijn deelname aan de Tour de France 1953

Verdiende zege van Henk Steevens, na sprintduel met van der Weyden, in het kampioenschap van Limburg

We lezen het artikel van Gerard Sillen in het blad “wielersport” van 13 mei 1953:

Henk Steevens na de finish van het kampioenschap van Limburg te Valkenburg, staand met de hoed burgemeester Hens van Valkenburg, zittend met hoed Joris van den Bergh, foto archief Peet Knops

Deelnemerslijst amateurs

Ditmaal waren de weergoden de Cauberg-races eens gunstig gezind, zodat de vele duizenden toeschouwers naar harte-lust van een brokje aardig uitziende wielersport konden genieten. De aandacht van een lang niet onbelangrijk gedeelte van deze menigte gold in het bijzonder de verrichtingen van de Limburgse amateurs, die gingen uitmaken wie na Nolten (1950 en 1951) en Nieskens (1952) zijn naam op de erelijst mocht schrijven. Onder de uitgebreide familie „liefhebbers” zitten verschillende knapen, die heel wat in hun ransel hebben.

De vraag is nu maar of dit er ook uitkomt, want er zijn allerlei factoren die een opmars kunnen remmen, terwijl anderzijds bepaalde hoedanigheden door ijver, liefde tot de sport en wilskracht beklemtoond dienen te worden.

Limburgs wielerkampioenschap voor de amateurs te Valkenburg, de huldiging van de eerste drie aankomenden door burgemeester Hens van Valkenburg, v.l.n.r: Thei Paas, Flor van der Weyden en Henk Steevens Foto: van Duinen / Anefo

Eén ding is zeker, in de galerij der Limburgse kampioenen nam zondagmiddag iemand plaats, die hierin zeker geen slecht figuur slaat: Henk Steevens. De gebr. Steevens beschikken over een flinke portie aanleg, een beduidende hoeveelheid energie en op bepaalde momenten over een vinnige wedstrijdmentaliteit. Vooral dit laatste onderdeel van de „bagage” vrezen de concurrenten, want dan verdrijven de heren Leo en Henk Steevens door deze explosieve wilskracht vermoeidheid en zijn niet bevreesd voor welke rivalen ook. Henk Steevens speelde in het Limburgse kampioenschap op de Cauberg een grote rol. Tijdens de gehele koers was de oudste van het (jonge) broederpaar ergens heel vooraan te vinden.

Scheidend Limburgs kampioen Jac. Nieskens 1952 feliciteert de nieuwe Limburgse kampioen Henk Steevens. foto archief Jac. Nieskens

Trachtte iemand aan de haal te gaan en zag het er naar uit, dat dit geval gevaar kon opleveren, dan wipte Henk netjes mee, om zodoende een oogje in het zeil te houden en om eventueel zelf de finale in te luiden. Tientallen deelnemers bleken niet opgewassen tegen de elf Cauberg-ronden van elf kilometer en de daarin opgesloten hindernissen van velerlei soort. De jonge Boelhouwers bleek uit het goede hout te zijn gesneden, Jan Willemsen huisde steevast in de eerste linie, Pierre Steenbakkers hoopte kennelijk op een goede afloop, kortom er zat nogal wat leven in de brouwerij. Vooral na half koers, toen Jacq. Nieskens, Piet v. d. Brekel, Thei Paas, Flor v. d. Weyden, Henk Steevens, Jan Bakkers, Kees Boelhouwers, Jacq. Fooy, Willy Gramser, Leo Stevens etc. serieus naar een hoofdrol dongen. Diverse leiders kreeg het gezelschap. Leiders van allerlei pluimage, maar drie ronden voor het einde viel de slag, toen Henk Steevens en Flor van der Weyden hun makkers een vaarwel toeriepen en zich niet meer lieten zien, alvorens deze 121 kilometer-affaire achter de rug was. Dit duo nam een kleine voorsprong en verdedigde deze winst tegen de aanstormende concurrentie met mannenmoed en mét kunde. Henk Steevens trok in de eindspurt duidelijk aan het langste eind. Zijn succes was verdiend en iedereen gunde hem dit fraaie kampioenschap.

Limburgs kampioenschap 1953: Beeld van de beklimming van de Cauberg foto: van Duinen, / Anefo

De uitslag luidde:

  1. Henk Steevens, Elsloo, 121 km in 3 uur 23 min. 3 sec.;
  2. Flor v. d. Weyden, Maastricht, z.t.; op 23 sec.
  3. Theo Paas, Munstergeleen
  4. Jan Bakkers, Puth-Schinnen
  5. Kees Boelhouwers, Bunde
  6. Jacq. Nieskens, Swalmen; op 27 sec.
  7. Piet v. d. Brekel, Echt
  8. Jac. Fooy, Maastricht
  9. Willy Gramser, Siebengewald
  10. Leo Steevens, Elsloo
  11. Pierre Steenbakkers, Maastricht
  12. A. Paas, Munstergeleen
  13. G. Rongen, Bunde; op 1 min. 31 sec.
  14. Arnold Ehlen, Broeksittard
  15. Harry Ehlen, Sittard

Henk Steevens: In maart 1953 liep mijn dienstplicht ten einde, ik reed dat jaar nog een 15 tot 20 wedstrijden bij de amateurs. Ik won menige wedstrijd o.a. Luik-Heuseux, Heerlen, Horion Hozemont, Amby en Nieuwstad. Joris van den Bergh (hij stierf een maand later), hij had me zien rijden bij het Limburgs kampioenschap zei “je komt in aanmerking voor selectie van de Nederlandse ploeg voor het wereldkampioenschap in het Zwitserse Lugano. Hij nodigde me uit me te bewijzen in de “Grote Continental Prijs” te Hannover (Zondag 17 mei 1953) waarmee ik  een plek in de WK selectie kon afdwingen. Alle internationale amateurtoppers stonden daar aan de start. De donderdag ervoor (14 mei) moest ik echter nog met mijn club TWC Maastricht startten in de “Grote prijs van Aken”, 180km. Ook daar behaalde ik afgetekend de zege!!

Grote Prijs van Aken. Deze wegwedstrijd voor amateurs over 113 km leverde een eerste plaats op voor de Limburger Henk Stevens. Met Boelhouwers en Van de Weijden had hij een minuut voorsprong op Fooy, Muller (voor de afwisseling eens een Duitser), Anton Paas, Theo Paas en Steenbakkers. Een uitslag, die klinkt als een klok. Vooral de vereniging „TWC Maastricht” zal er tevreden mee zijn geweest. (De Waarheid 15 mei 1953)

Met onder andere Joris Van den Bergh en mecanieker Piet Gommans toog ik zaterdags naar Hannover voor de WK-selectiewedstrijd. Aangekomen in Hannover, geen hotel of pension hoor, we sliepen bij gewone mensen thuis, kreeg ’s avonds een paar boterhammen. Om half vijf s’morgens ging de wekker want de start van de wedstrijd was al om 6 uur !!
Ik vroeg aan de vrouw des huizes of ik nog een paar boterhammen mocht hebben want ik had verder niks om te eten in de koers, geen fruit, nee helemaal niks… Ik kreeg 4 sneetjes brood en en bol rauw gehakt mee, dat stak ik in mijn tas. Snel op naar de koers !!
Op weg naar de start, we hadden ons ook nog verreden, we kwamen bijna te laat. Door de speakers klonk het “wir warten noch fünf minuten auf die Holländer… ”
De gehele wereldtop stond daar aan de start.

Op ca. 60 km van de finish reed ik lek, uiteraard zelf het bandje omleggen, dat was toen normaal hè, ik stapte weer op de fiets en maar rije rije rije.. de kopgroep had nog een halve minuut voorsprong. Met nog één lange beklimming voor de boeg verder, rije rije rije… In een vloek en een zucht zag ik de koploper voor me rijden… Nu moet ik het goed gaan spelen, dacht ik bij mezelf. De toppers Hennes Junckermann en Walter Becker keken om, ze kenden me al van afgelopen donderdag in Aken. Boven op de top kwamen de motoren langszij de kopgroep met mij in het zog, broem broemm… Ik fietste, verstopt, naast een van die motoren en min of meer uit het zicht van de concurrentie langs de kopgroep. Ik nam snel ca. 300 meter. Ze hadden me niet voorbij zien rijden, ik was er tussen uit geknepen, was weg, en blééf weg… ik kwam met bijna 2 minuten voorsprong aan bij de eindstreep.

Henk Stevens, die we nu al willen tippen voor de wegkampioenschappen van 3 Juli, deed het Zondag eens dunnetjes over in de Continental-prijs te Hannover. Duitsers, Luxemburgers en Zwitsers namen daaraan deel. Een wedstrijd over 186 kilometer, te beschouwen als gelijkwaardig aan een klassieker als de Ronde van Midden-Nederland, maar nog iets geaccidenteerder. Op de Nienstedterberg schudde Stevens al zijn concurrenten van zich af. Met 80 seconden voorsprong kwam hij zegevierend in Hannover terug. De winnaar van de Ronde van de Saar, Becker, werd tweede. Slechts 19 van de 106 deelnemers bereikten het eindpunt. (De Waarheid 18 mei 1953)

Kees Pellenaars had me op de Cauberg zien rijden, wist ook van de overwinningen in Aken en Hannover etc, en wilde mij, want Dekkers en Faanhof waren niet in vorm, mee nemen naar de Tour de France dat jaar. Ik ga niet mee meneer Pellenaars…, Ik was stellig: Nee, ik ga NIET mee. Hij zocht me op in Elsloo, Nee, nee, NEE, ik ben te jong… De Pel: Je mag een andere oudere coureur meenemen, (Sjefke of Jan) en dit jaar mee om te leren, en volgend jaar neem ik je mee, dan moet je doorbreken..

Officiele mededelingen der NWU (tijdschrift Wielersport 25 juni 1953)

Uiteindelijk vroeg ik toch een beroepsrennerslicentie aan en ging ik mee naar de Tour, mede ook voor de duiten..

Nieuwe Tilburgsche Courant 2 juli 1953

Henk verteld kort over zijn ervaringen in de Tour: Ik reed lek, Kees Pellenaars reed langs, hij leek me niet te zien, ik riep hard “héé”, hij gooide een tube uit de auto. Ik kwam weer terug in het peloton… “héé Heintje je moet je wiel afgeven, Wout Wagtmans heeft lek”… met de tong op de schoenen weer terug naar het peloton gereden…. toen kwam Wim van Est: “Heintje ga me effe wat donker bier halen in dat café daar”… Waterdragen? Ik haalde water voor iederéén van de ploeg, voor mij zelf bleef niks over, ik heb er wel van geleerd…

De huldiging van de Tour de France ploeg 1953 in het Olympisch stadion in Amsterdam. foto: J.D. Noske / Anefo

Uiteindelijk  na een val, waarbij ik een spier scheurde, viel ik oververmoeid uit. Dat was na de 6e etappe, bij de finish in Le Mans, maar mijn bijdrage in de Ronde werd gelukkig toch alom gewaardeerd. Uiteraard was ik ook aanwezig bij de na-Tour huldiging in het Olympisch stadion in Amsterdam.

Later dat jaar, op 10 september, won Henk Steevens nog de Ronde van Roosendaal

1959-07-19 Ronde van Broekhem – Valkenburg

Sprintzege van Jean Hermans bij de amateurs en onafhankelijken
Jean Bastin zegevierde bij nieuwelingen
Hamelink snelste bij de Adspiranten

Voorbeschouwing Limburgs Dagblad, 18 juli 1959:

Supportersclub “De Sprinter” organiseert Ronde van Broekhem met groot aantal favorieten

Onder auspiciën van de KNWU wordt zondag 19 juli 1959 in “het Witte Dorp” te Broekhem een wielerronde voor onafhankelijken, amateurs, nieuwelingen en adspiranten verreden.

De organisatie van deze Ronde berust bij de supportersclub van de plaatselijke renner Leon Smeets. Het bestuur van deze club De Sprinter heeft een snel parcours uitgestippeld, dat uitsluitend over asfaltwegen loopt. Ongetwijfeld staat er een felle strijd te wachten op het 2 km lange traject, dat enkele moeilijkheden bevat en wel de scherpe bocht inde Seringenstraat en de afdaling in de Roevoetstraat.

Om 13.00 uur valt het startschot voor de adspiranten. De 22 deelnemers zullen tien ronden moeten afleggen, waarna het vertreksein voor de nieuwelingen wordt gegeven, die met 47 in getal zijn en dertig ronden moeten rijden. Tot de deelnemers behoren onder andere Franssen van Ubachsberg, Bastin uit Voerendaal, Tummers uit Geulle, Motké uit Roermond, Dassen uit Stein en de plaatselijke favorieten, Packbier uit Schin op Geul en Hoenjet uit Sibbe. Voor de beste prestatie wordt een prestatiestandaard ter beschikking gesteld.

Om half vier starten de amateurs en onafhankelijken (ongeveer veertig deelnemers). Zij moeten een afstand van 100 km. afleggen. De deelnemerslijst vermeldt de namen van: Nelis Hulsberg; Duckers Urmond; Willemsen Nuth; van Pelt en Brekelmans Eindhoven enz. De bekende Engelsman Watson en de Belg Brekelmans zullen eveneens van de partij zijn. Voor eigen publiek rijden verder Jean Hermans uit Valkenburg en Leon Smeets uit Broekhem. Zij zullen zeker alles op alles zetten om zo goed mogelijk voor het forum te treden. Het parcours, met start en finish aan de Parallelweg loopt via de Kloosterweg, Seringenstraat, Henri Hermansstraat, Roevoetstraat en Parallelweg.

Onmiddellijk na de huldiging door Tonny Strouken op de gevoelige plaat vastgelegd:  Jean Bastin, de winnaar van de eerste Ronde van Broekhem – Valkenburg in 1959.

Wedstrijdverslag, Limburgs Dagblad 20 juli 1959:

Plaatselijk favoriet Jean Hermans wint Ronde van Broekhem
Jean Bastin klopt Jef Drummen bij de nieuwelingen

Valkenburg. De eerste ronde van Broekhem is voor de organiserende supportersclub De Sprinter een groot succes geworden. Het fraaie weer had honderden wielerfans naar het snelle parcours te Broekhem-Valkenburg gelokt. Jammer was het dat de plaatselijke favoriet bij de amateurs Leon Smeets na een 5-tal ronden de strijd moest staken wegens een lekke band. Beckers uit Schaesberg gooide halverwege het lont in het kruitvat en trok er op uit gevolgd door Duckers uit Urmond. Samen liepen zij een kwart ronde uit. Fel werd echter het tweetal achtervolgd door Hermans (Valkenburg), Hendricks (Sittard), Le Doux (Nieuwenhagen) en Kisters (Heerlerheide). Inde 31e ronde had men de vluchtelingen achterhaald. Het peloton volgde op 500 meter. Enkele ronden voor het einde veroverde Hendricks de leidersprijs, de prijs voor de renner die de meeste keren als eerste doorkwam. In de eindsprint wist de Valkenburgse favoriet Hermans Hendricks op de streep te kloppen en zodoende in de tijd van 2 uur 13 min. 45 sec. de zege over 100 km op zijn naam te schrijven.

Limburgs Dagblad 20 juli 1959

De uitslag bij de amateurs en onafhankelijken luidde:
1. Jean Hermans, Valkenburg
2. R. Hendricks, Stein
3. E. Beckers Schaesberg
4. H. Kisters Heerlerheide
5. D. Vek, Waubach
6. J. Le Doux, Nieuwenhagen
7. J. Willemsen, Nuth; op 1 min. 15 sec
8. N. Paas, Munstergeleen
9. J. van Pelt, Eindhoven
10 H. Duckers, Urmond

Een aantal deelnemers aan de Ronde van Broekhem – Valkenburg neemt hier de nogal scherpe bocht achter de finish aan de Parallelweg richting Kloosterweg

De Nieuwelingen reden 30 ronden over 60 km. Jean Bastin (Voerendaal) wist in samenwerking met J. Drummen (Bemelen) een voorsprong te nemen, die men niet meer afstond. In de sprint ging Jean Bastin als eerste over de meet, in een tijd van 1 uur 27 min. op 5 sec. gevolgd door Jef Drummen.

De uitslag in de categorie Nieuwelingen luidde:
1. J. Bastin (Voerendaal)
2. J. Drummen (Bemelen)
3. F. Klein (Neerbeek) op 59 sec.
4. J. Tummers (Geulle) op 1 min. 30 sec.
5. L. Motke (Roermond)
6. B. Franssen (Ubachsberg)
7. H. Jacobs (Roermond)
8. G. Smulders (Gerwen N- Brabant)
9. H Reijnders (Borgharen)
10. F. Amkreuts (Bleijerheide).

Bij de adspiranten was de uitslag over 10 ronden:
1 Hamelink (Terwinselen) 30 min. 4 sec.;
2 Elzinga (Lindenheuvel) en
3 H. Steevens (Elsloo).

Het parcours van de eerste Ronde van Broekhem – Valkenburg 1959, volg de link naar de plek in Google Maps

Wilde Ronde van Broekhem 1952

Op 28 september 1952 is er ook al eens een Ronde van Broekhem georganiseerd door de voetbalvereniging de Valkenburgse Boy’s, dit ten bate van de fanfare “St.Joseph”, dit was echter op “gewone” fietsen, een echte wilde koers dus. Aanvankelijk zou de Ronde plaatsvinden op zondag 21 september, maar door het slechte weer werd deze afgelast. Door de toch grote belangstelling is besloten de wedstrijden een week later te laten plaats vinden, op zondag 28 september. Er waren twee categorieën: de junioren (12 tot en met 17 jarigen) en de senioren (ouder dan 17 jaar).  De bekendste namen in de uitslag zijn de gebroeders Harings. De dertienjarige, Hub die bij de junioren de 4e plaats bezette en zijn oudere broer Hay die de wedstrijd bij de senioren op de 3e plaats finishte.

Limburgs Dagblad 11 september 1952

Limburgs Dagblad 27 september 1952

Limburgs Dagblad 29 september 1952

2008-01-07 John Braspennincx, koning der smokkelaars

John Braspennincx, Koning der kermiskoersen, Koning der smokkelaars

Tussen 1936 en 1940 werd John Braspennincx (drie keer nationaal kampioen, deelnemer aan de Tour de France en bij de Profs winnaar van in totaal 129 koersen) met een keten van overwinningen een bijzonder gevierd wielrenner, die mede bijdroeg tot een nog steeds unieke prestatie: op dezelfde dag dat hij Nederlands Kampioen werd bij de profs (Lees hier het verslag van het NK 1937 te Valkenburg), behaalde zijn vader de veteranentitel en werd zijn broer Jan kampioen bij de onafhankelijken. Braspennincx: „Voor mij persoonlijk is dat het hoogtepunt geweest”.

De wielerresultaten maakten van Braspennincx een geslaagd sportman op wiens erelijst echter een opvallend gemis is te constateren: klinkende uitslagen in buitenlandse rondes en wereldkampioenschappen. “Het was alsof de duvel ermee speelde. Ik kreeg in die koersen altijd pech”. Dieptepunt in die poel van tegenslag werd voor hem het wereldkampioenschap van 1938 in Valkenburg. Braspennincx: „Ik reed in die tijd zo verschrikkelijk hard, dat ik voor iedereen de uitgesproken favoriet was. Fausto Coppi heeft toen in interviews gezegd: de enige die het kan worden is “Bras”. Maar op het beslissende moment, toen ik eigenlijk al in gewonnen positie lag, brak mijn crank. Ik kreeg een andere fiets, maar daar sloeg de pion van door. M’n kansen waren weg. Ik stapte af. Dat kostte me ten minste veertien mille, want dat bedrag zou ik van m’n sponsor krijgen als ik won. Veertienduizend gulden… in een tijd dat we van negentien gulden per week leefden”.

John Braspennincx, foto archief Jo Hendriks

In 1942 startte hij bijna onvoorbereid in het nationaal kampioenschap op de Cauberg. Braspennincx: „Door dat smokkelgedoe had ik amper kunnen trainen, maar iemand wilde met me wedden en ik ging erop in”. Het resultaat was opzienbarend. Braspennincx: „Ik kwam op kop te zitten met Kees Bakker, die in de afdaling bij de Grendelpoort onderuit ging en mij meesleurde. Ik zwiepte regelrecht de etalage van de juwelierszaak Fevrier in en lag daar uitgestrekt tussen de gouden horloges. Ik kwam er bloedend en vol splinters uit. Ik kreeg de fiets van een gedubbelde renner en ik ben zó verschrikkelijk hard gaan rijden, dat ik met een minuut voorsprong kampioen van Nederland werd”. Ofschoon John Braspennincx een schitterende erelijst opbouwde, schrijft hij het aan het oorlogsgebeuren toe dat er uit zijn wielercarrière niet werd gehaald wat er naar zijn mening inzat. „Door de oorlog ben ik ook intensief met smokkelen begonnen”.

Daarvóór concentreerde ik me meer op het wielrennen, maar in 1940 liep het aantal wedstrijden zo sterk terug, dat ik er wat anders bij moest doen”. Ja, en sinds een Bredase pastoor hem ooit bij een oprechte biecht verzekerde dat smokkelen geen zonde hoefde te zijn, had hij afgerekend met de onzekerheid in zijn geweten.
Hij vulde zijn leven met de successen van een groot sportman, zoals hij er een was: een kasseienbeul van een wielrenner, die het vuur uit zijn pedalen kon trappen. De Belgen, een gezaghebbend volkje in het cyclisme, gaven hem de eretitel: „Koning van de kermiskoersen”. Zowat gelijktijdig in de jaren veertig veroverde hij er nog een: ‘Koning van de smokkelaars”.

John Braspennincx, “Den Bras”, die door zijn ingeboren lef en feeling voor organisatie uitgroeide tot de roemruchtigste smokkelaar van het Brabantse gebied. Toen de Justitie hem uiteindelijk te pakken kreeg als de leider van een unieke en ongeëvenaarde smokkelgang met maar liefst 50 man vast „personeel”, maakte hij een gebaar van goede wil, dat op onthutsende wijze inzage gaf in wat hij verdiende. John schonk de staat vijftien huizen en wees de plek aan waar hij zijn geld had verborgen: ingemetseld in de kelder van zijn huis, waar de ambtenaren met schop en kruiwagen de buit wegdroegen : tweehonderdduizend gulden in zilveren munt! „Dat was natuurlijk niet alles wat ik had maar maakte ik ze dat wel wijs”. Den Bras kreeg bij elkaar opgeteld in totaal 29 maanden gevangenisstraf, uitgezeten in vijf periodes: negen, acht, zes, vier en twee maanden.

Wat in oktober 1947 tijdens het twee dagen durende proces tegen de wielerheld  de justitie vooral bezig hield, was het zo onwaarschijnlijk lijkende feit dat „Den Bras” alleen-verantwoordelijke was voor die spectaculaire daden met de alom bekende kraaienpoten op vluchtroutes, met rigoureuze barricades met de in de smokkelarij baanbrekende uitvinding van de Pantserwagen als vervoerswapen. Kon één man dat wel alleen?

“Ja”, zegt John Braspennincx nu nog steeds, „maar als ik eraan terugdenk vraag ik me óók af hoe dat in ‘s hemelsnaam allemaal gekund heeft. Soms begrijp ik het zelf niet maar in die tijd ging alles vanzelf. Ik was zo  brutaal als de beul. Smokkelen is iets wat er bij je inzit of niet. Bij mij zat ’t erin. Ik kende de West Brabantse bossen als m’n broekzak, knalde in het stikdonker zonder licht met 90 kilometer per uur over de binnen weggetjes en ik had veel vrienden en onder belangrijke mensen, zoals grenspersoneel en ambtenaren. Die gooide ik plat met geld. Ik smeet er in die tijd mee. Er waren weken dat ik zestigduizend gulden aan lonen betaalde”.

Valkenburg 1937. Drie Nederlandse Kampioenen onder één dak. Hierboven links Johnny Braspennincx, zoon van de beroemde vader. Johnny werd Zaterdagmiddag alg. kampioen van Nederland maar vader, rechts, die ondanks zijn 49 jaar nog meereed bij de veteranen, won in deze klasse ‘ het kampioenschap. In het midden op de foto de renner Theuns, aangenomen zoon van de oude „Bras”, die bij de onafhankelijken kampioen werd.

“Het smokkelen was gewoon een  bedrijf geworden. Ik had thuis bijvoorbeeld een planbord met de vakantiedagen van m’n knechten. Voor mijn Personeel was ik goed. Ik betaalde correct en dat kon je tijd niet van iedere smokkelaar zeggen. Met geld heb ik een hoop bereikt, vooral bij de ambtenaren”. “De eerste die ik omkocht, betaalde zichzelf terug. Hij gaf me, dat was kort de oorlog, militaire papieren, een officiersuniform, een workticket en een plaat ‘Departement van Oorlog’ op m’n auto. Vooral met dat D.V.O-bordje had ik m’n investering rap terug, want ik kon overal gratis tanken. Mét met smokkelspul in m’n wagen. We reden toen veel tabak, daar was aardig aan te verdienen. Er ging steeds voor drie ton handel in, dat betekende dat ik er bij elke vracht zon anderhalve ton aan overhield. Ik haalde die tabak in België, vrachtbrief en lading klopten via het workticket, en de rest deden m’n contactmannen aan de grens. Ik seinde ze precies wanneer er ladingen kwamen en dat liep lang goed”. „Tips, daar draaide het om. Op die manier heb ik eens een trein, waarin een paar knechten van mij zaten die door de Duitsers gepakt waren, onderschept. Een gevangenbewaarder vertelde me alle details van het transport, ik maakte een enorm plan, ik versierde een Duits uniform, een auto met Duitse nummerplaten en op een onbewaakte overweg bij Amersfoort heb ik die trein opgehouden met een rode vlag. Een van m’n knechten wist te ontsnappen. De ander had het niet door, die was vrij stom, en bang”.

Tour de France 1937, Nederlandse ploeg aan de start — v.l.n.r: Toon van Schendel, Theofiel Middelkamp, Albert van Schendel, John Braspennincx, Gerrit van de Ruit en Piet van Nek in Parijs.

„We zijn samen eens zó beschoten, toen we op de fiets boter smokkelden, dat ‘ie van schrik vergat te trappen en alleen maar gilde. John, riep ‘ie, ze schieten ons dood. Houd m’n trui vast, zei ik, en rijen zo hard als ge kunt. De kogels floten rond onze koppen, de spaken zowat uit de wielen. Maar we kwamen veilig over. Ik was niet bang te krijgen. Ze hebben zeker twee- of driehonderd keer op me geschoten, maar ik ben er nooit van onder de indruk geraakt. Als ik op de fiets zat kon ik alles. Ik had met het wielrennen zon verschrikkelijke demarrage, dat als ik op m n pedalen ging staan, de douane geklopt was”. „Zo ben ik eens weg gespurt terwijl ze op me schoten, langs de kant van de weg in de bosje gedoken, van de overkant een dunne berkenboom naar me toe gehaald en toen de commiezen op mijn hoogte waren,  liet ik de stam los. Zo vlogen als raketten in ’t rond, die commiezen. Daar zat ik niet mee. Ik zat nergens mee. Zoals het uitkwam, pakte ik het aan”. „Ik ben eens bezig geweest met elastiek-smokkel op Frankrijk. Niet te geloven. Ik legde contacten via twee Amerikaanse militairen die een route hadden op Parijs die ik per rit vijf mille per man betaalde als ze een vracht meenamen. Er ging steeds twee ton mee naar een plaats in Parijs, waar ik ze opwachtte om die handel door te spelen naar Chinezen. Wat die er mee deden is me nog een raadsel, maar ze waren er zo gek op, dat ik miljoenen meters de grens over liet rijden. Het werd zo’n omvangrijke affaire, dat ik er een Engelse sergeant voor moest omkopen om me aan papieren te helpen die het risico verkleinden. Die man vroeg er tien mille per rit voor, die ik hem graag betaalde. Kun je nagaan hoe mijn verdiensten lagen”.

December 1970: dubbelportret van vader Jan (82) en zoon John (56) Braspennincx met hun racefiets

Zijn reputatie als „koning” verwierf John Braspennincx zich als smokkelaar met pantserwagens. Daar had de in smokkeluitrustingen toch inventieve grensstreek nog nooit van gehoord. Braspennincx: „Ik knalde er dwars de grens mee over. De slagbomen braken als lucifers. Drie had ik er gekocht, in de dump. Ze ploegden overal doorheen en dat ze veel lawaai maakten, deed me weinig, want als de gealarmeerde douane in actie kwam, kon ik ze hebben. Ze schoten voor niks. Met spijkers en kraaienpoten op de weg was ik ze zo kwijt. Ik reed tonnen tabak, boter en textiel de grens over”.

„Maar het is uit de hand gelopen toen veel andere smokkelaars ook pantsers namen. Het werd een troep en de douane gaf me overal de schuld van. Alleen: er viel niks te bewijzen. Maar het werd me te link, ik vroeg de anderen ermee op te houden en ze deden het allemaal op één na. Ik zei tegen ‘m: dan pak ik dat ding wel af. Eerst kocht ik z’n belangrijkste chauffeur om, toen twee Bredase politieagenten, die voor me moesten patrouilleren en de rest ging vanzelf: we zetten een val op, ze sloegen op de vlucht en ik reed zelf die pantser naar België, waar ik ‘m verkocht”. Zijn activiteiten met de pantserwagen-smokkel werden verraden, waarna John Braspennincx in de cel terecht kwam en veroordeeld omdat er gebeurde wat hij nooit voor mogelijk had gehouden: zijn knechten sloegen door. Braspennincx: „Dat is de grootste teleurstelling uit mijn smokkeltijd geweest ik had als held voor de balie willen staan, maar op die manier mislukte dat”.

Koning der smokkelaars, een heel bijzonder boek, een spannende roman ! Maar geen verzinsel. Geen roman die het resultaat is van de fantasie van de schrijver, zoals Graumans reeds ’n twintig maal èn met vele herdrukken schreef, doch deze keer een boek van keiharde feiten ! We hebben hier namelijk te doen, met de grootste smokkelaar, die ooit de grenspolitie van Nederland en van West-Europa tot radeloosheid heeft gebracht. Die ‘gewerkt’ heeft onder en tègen Duitse maar ook Amerikaanse en Engelse, Franse en Belgische, ja met Poolse soldaten en officieren. Die zich niet ontzien heeft op het laatst de grenzen te forceren met pantserwagens, daaruit te opereren met rookbommen en spijkerplanken en zich bloot te stellen aan een wilde drijfjacht van tientallen schietende, gemotoriseerde politie onderdelen, die echter allen vergeefs attaqueerden, met hun motoren, jeeps, stenguns en strijdwagens tegen de smokkelaar, de sportman John Braspennincx! Dat is het nu juist: tegen de sportman John Braspennincx, uit Princenhage (Nd.-Br.). En wat voor een sportcrack ! Een der geweldigste wielrenners van zijn tijd ! Het is de verdienste van de schrijver, hierop de nadruk te hebben gelegd, waardoor het psychologisch duidelijk wordt, hoe en waarom zo’n man in jaren van oorlog en chaos er toe komt te gaan smokkelen, niet alleen, maar ook, waarom een dergelijke sportreus dit deed op de wijze, waarop Braspennincx dat heeft gedaan. Er is van zulke belevenissen heel wat te vertellen. Maar het is tevens interessant en voor de historie niet onverdienstelijk, dat deze wilde ‘manier van zaken doen’ in de fel bewogen periode van de ‘veertiger jaren’, eens werd vastgelegd. De geboren verteller. Den Dré pseudoniem van Adrianus Antonius Lucien Graumans, volg de link

Toen John Braspennincx zijn straf had uitgezeten zocht hij nieuwe glorie in de wielrennerij, die hem al een grote naam had opgeleverd. Net als in de smokkelarij door verbluffende resultaten. Waartoe John Braspennincx als coureur nog in staat was, bleek in de voor hem zo grillige naoorlogse jaren, toen de smokkeldrukte het won van zijn wieleractiviteiten. Na gestopt te zijn met de pantserwagens ging hij, 98 kilo zwaar en ongetraind, de weddenschap aan om binnen drie weken twee wedstrijden te winnen. Het werden drie zeges in twee weken en een halve maand later zat hij in de gevangenis. Weer op vrije voeten (na acht maanden) hervatte hij de training en klopte zes weken later Gerrit Schulte in het omnium van Feyenoord. En wéér belandde hij niet veel later achter tralies en muren, nu wegens een aandeel in een goud-smokkel. Vanwege zijn aanraking met de justitie werd hem later een licentie geweigerd door de wielerbond en toen die uiteindelijk toch afkwam, woog Braspennincx 104 kilo hetgeen hem niet verhinderde via straffe training datzelfde seizoen nog zeven overwinningen te behalen. In 1952 maakte hij, na een overwinning in een dernywedstrijd in Dortmund, een einde aan zijn carrière. „veel te vroeg” zei hij.

klik en lees De Volkskrant 7 januari 1948

John Braspennincx overleed op 7 januari 2008 op 93 jarige leeftijd. Ondanks alle succes in sport en smokkelzaken was zijn materiële welstand, zoals hij zei, niet indrukwekkend. Hij woonde in een onopvallend rijtjeshuis in de grensplaats Zundert: „Ik kom niks te kort”, lichtte hij destijds toe „Ik ben ook niet schatrijk. Ik vraag me wel eens af waar al m’n geld gebleven is. Ik weet het niet. Als ik het zo eens bekijk, ben ik met smokkelen financieel eigenlijk niet zoveel opgeschoten. Maar dat kan me weinig schelen. Ik heb het goed zo. Ik ben tevreden. Als ik het allemaal over kon doen, deed ik het niet anders”.

Klik en lees het Vrije Volk van 9 januari 1948

Bronnen:
Limburgs Dagblad 24-12-1976 (Peter Heerkens)
https://nl.wikipedia.org/wiki/John_Braspennincx
https://sportgeschiedenis.nl/wielrennen/john-braspennincx-koning-der-smokkelaars-en-kermiskoersen